Ambtenaren

In de trein op weg naar het kerstdiner hoorde ik een man tekeergaan over ambtenaren. Het waarom was onduidelijk, waarschijnlijk had hij slechte ervaringen.

De argumenten waren:

Ambtenaren deden niets.

Ambtenaren konden niets.

Ambtenaren waren zakkenvullers.

Ambtenaren waren lui.

Ambtenaren hadden te veel vakantiedagen.

Uit eigen ervaring weet ik dat dat onzin is. Mijn vader was ambtenaar, hij werkte bijna veertig jaar op het provinciehuis in Arnhem, Gelderland. Tijdens de middagpauze, precies om kwart over twaalf, belde hij naar mijn moeder. Dat deed hij iedere dag. Op zijn verjaardag kwamen de collega’s. Mannen in te hoog opgetrokken spijkerbroeken of in pakken van C&A die elkaar bij de achternaam noemden. Wat ze onder werktijd deden, was niet te achterhalen. Mijn vader ging over ‘dijken’ dat wist ik wel en ik wist ook dat er twee collega’s waren die een hekel aan elkaar hadden, maar toch al twintig jaar een kamer deelden. Een verzoek tot overplaatsing werd steeds opnieuw afgewezen. Tussen de bureaus was een gordijn gehangen.

Met die achtergrond en de simpele vraag: ‘Wat doen ze eigenlijk in het provinciehuis?’ nam ik een tijd geleden namens het tijdschrift HP/De Tijd contact op met de afdeling voorlichting van de Provincie Noord-Holland, want daar woon ik.

Ik kreeg te maken met de heer drs. R.A.R. Fillet, kortweg Raymond, een man met een vriendelijke stem die me uitlegde dat op het oog simpele vragen niet makkelijk te beantwoorden waren. Het aanspreken van ambtenaren op de werkplek en het krijgen van een rondleiding door het Provinciehuis waren typisch van die vragen die hij ‘in het overleg’ moest gooien, wat daar uitkwam, wist je nooit. Wat hij wel wist was dat hij de verantwoording voor het geven van toestemming niet ging dragen.

Omdat ik het wollige taalgebruik herkende, moest ik daar toen heel erg om lachen.

Na publicatie liet ik het verhaal aan mijn vader lezen. Hij vond dat ik een karikatuur van het ambtenarenbestaan had gemaakt.

„Ze zijn soms wat formeel”, zei hij over ‘de ambtenaar’, „maar dat moet ook”.

De ambtenaren die hij kende, waren gedreven mensen met hart voor de zaak en het stoorde hem dat ze door mensen die van toeten noch blazen wisten werden weggezet als nietsnutten en zakkenvullers.

Thuis, in het huis van mijn moeder, trof ik gisteren op de vensterbank een kerstkaart van ‘De Provincie’, met binnenin een voorgedrukte en wat formele kerstgroet.

Ik stelde me zo voor dat er een ambtenaar was vrijgemaakt voor het versturen van kerstkaarten naar alle werknemers en ex-werknemers. Je zou dat geldverspilling – mijn vader is inmiddels overleden – kunnen noemen, maar ik vond het attent. Respect voor de ambtenaar die de verantwoording voor het geven van toestemming voor het versturen van kerstkaarten durfde te dragen.

    • Marcel van Roosmalen