Longread: kerst, een raar allegaartje midwintervieringen

In de romantiek was de eenzame schaatser, verzonken in diepe gedachten, een terugkerend motief. Goethe werd bijvoorbeeld op de schaats geportretteerd. Maar ook hoogwaardigheidbekleders schilderde men op het ijs: ‘Dominee Robert Walker op Duddington Loch’, door Henry Raeburn (1795) Uit besproken boek

Geen witte kerst dit jaar, maar wederom een echte Hollandse waaiwinter. In zijn cultuurhistorische Winter. Five Windows on the Season beschrijft The New Yorker-redacteur Adam Gopnik onze fascinatie met de witte kerst. Het boek ontrafelt alle winterclichés, schrijft NRC-boekenredacteur Maartje Somers.

Boven de dertig graden en verstikkend vochtig was het in Ho Chi Minhstad in Vietnam. Maar de Kerstvreugde was er niet minder om. Rode kerstmanmutsen en nepijspegels in de winkels, jingle bells overal, een verblindende orgie van rendieren, kerstballen en kerstverlichting in de straten. Nog geen acht procent van de Vietnamezen is katholiek, maar op Kerstavond rijden Vietnamese mannen op hun scooters door de straten van Hanoi en Ho Chi Minhstad, verkleed als Kerstman.

Zelfs Vietnamezen dromen van een witte Kerst. En wij ook. Nog steeds. Al jaren miezert het met Kerst en is het een graad of zes. Toch blijven mensen rode linten voor de ramen spannen en maken ze daarboven randjes van spuitsneeuw. Waarom in vredesnaam?

‘De oude winterfeestdag heeft de wereld veroverd,’ schrijft de Canadese essayist Adam Gopnik, redacteur van The New Yorker, in Winter. Five windows on the season, een bundeling van vijf lezingen die hij voor de Canadese radio hield. Het boek is een cultuurgeschiedenis van winterfolklore en wintergevoelens, wintergebruiken en winterassociaties – the winter of the mind, zoals Gopnik het noemt.

Het is een boek vol stellingen van erg dik hout en Gopnik bezondigt zich in zijn sneeuwlyriek zelf niet weinig aan winterkitsch. Maar daar staat veel vermakelijke, fijn overbodige kennis tegenover – over Goethe op de schaats, over het ontstaan van plastic reuzensneeuwvlokken, het verband tussen Saturnus en Santa en dat tussen ijsbergen en psychologie.

Dit boek ontrafelt en herleidt kortom een schat aan winterclichés. Bijvoorbeeld dat u zich de komende weken behaaglijk opkrult in een stoel bij de haard om urenlang te kunnen lezen, terwijl buiten de weergoden huishouden. Gopniks Winter geeft u zowel een goede reden als een verklaring voor dit gedrag.

Die verklaring luidt: de Victoriaanse uitvinding van de centrale verwarming. Buiten was het koud, binnen was het opeens een stuk aangenamer. Verwarming zorgde er volgens Gopnik voor dat de winter niet langer alleen een kwestie van overleven was, maar ook vanuit een comfortabele positie beschouwd kon worden. Het raam splitste de winter in het knusse en het sublieme ‘sweet winter en scary winter, met dank aan de Spice Girls’.

Gopnik begint zijn boek grofweg bij de industriële revolutie en laat daarom allerlei oudere, prachtige winterkunst buiten beschouwing. Je mist vooral ‘The Cold Song’ uit de opera King Arthur van Henry Purcell uit 1691, een prachtige evocatie van een sublieme, bittere winterdepressie. Purcell liet zich inspireren door de Frost Fairs, kermissen op de bevroren Thames tussen 1550 en 1850, toen de winters veel kouder waren dan nadien – de periode wordt ook wel de Kleine IJstijd genoemd. Ook wintergezichten van Breughel laten zien dat bittere en gezellige winter, ontbering en koek-en-zopie, ook toen al naast elkaar bestonden – en vermoedelijk altijd bepaald zijn door de thermometer en door geld.

Maar toegegeven, misschien werd er aan winter nooit zoveel betekenis gehecht als in de 18de en 19de eeuw. Volgens Gopnik speelde winter een essentiële rol in het ontstaan van het zelfbewustzijn van jonge Europese naties. De motor van de winter, schrijft hij, was het ‘idee onder noordelijke romantici, in Engeland, Duitsland en Rusland, dat dit seizoen een tegenwicht bood tegen het Franse rationalisme’. Alleen die naam al: de Verlichting ‘met zijn symboliek van zonlicht’.

Nee, dan sombere duisternis en bijtende vorst! Niet de geruststellende leugen van de zomer, maar de winter, ‘nature stripped to her underwear’ legde het wezen der dingen bloot. Kijk naar de beroemde, sombere ijs- en sneeuwschilderijen van Caspar David Friedrich (die als kind zijn broer in een wak zag verdrinken), zoals Der Chasseur im Walde uit 1812: een Franse soldaat verdwaald en verloren tussen de enorme bomen van een verstild Duits winterwoud.

Het kan goed zijn dat Gopnik daarmee te kort door de bocht gaat. Maar dat winter, door het raam gezien, een omlijst canvas is waarop wij onze vaderlandsliefde projecteren, is duidelijk voor wie de ijlende Hollandse Elfstedenkoorts in de vroege 21ste eeuw beziet. Dat raam is nu een televisiescherm, maar het principe is hetzelfde.

Nog steeds denken we over winter in termen van romantiek, laat Gopnik zien: het witte, sublieme dat het ontzag in je botten doet kruipen, mysterieuze en maagdelijke ondergrond voor sprookjes en heldensagen, voor Sneeuwkoningin (1845), poolreizigers, Elfstedenschaatsers.

Net als nu met het klimaat was winter ook vroeger de toetssteen voor existentiële debatten. Zoals het dispuut tussen de dichters Goethe en Knebel over ijsbloemen – inmiddels dankzij ons dubbel glas helaas verdwenen. Was in die venstervegetatie de hand van god nu wel of niet te herkennen?

Gopnik associeert unverfroren verder naar de 20ste eeuw, als ‘theologie omslaat in psychologie’. Weer zijn sneeuw en ijs het spul waarvan metaforen gemaakt worden. Neem de psychoanalytische metafoor van de ijsberg, waarvan wij alleen het topje kunnen zien, of de individualistische metafoor van de sneeuwvlokjes die stuk voor stuk verschillend zouden zijn. ‘Friends are like snowflakes, beautiful and different’, zo luidt een slogan van de koffieketen Starbucks. Gopnik graaft de fotograaf Wilson ‘Snowflake’ Bentley (1885-1931) uit de geschiedenis, die zijn leven lang niets anders deed dan ijskristallen fotograferen. Van hem stamt het beeld van de perfecte, bloemvormige sneeuwvlok die nu, in duizendvoudig plastic, winkelstraten siert.

Met dezelfde ijver bestudeert Gopnik het moderne kerstfeest, een raar allegaartje van midwintervieringen, zoals het heidense omkeringsfeest (Saturnalia), het christelijke vernieuwingsfeest en ‘het kapitalistisch oogstfeest’ oftewel onze moderne kerstkoopgekte. Blijkt dat Britse puriteinen in de 17de eeuw Kerst korte tijd wilden uitbannen, en dat de mythe daaromtrent leidde tot The Book of Christmas, (1837) waarin gepleit werd voor een ‘herintroductie’ van dit ‘vergeten’ feest als een evocatie van het oudere, middeleeuwse Engeland. Zelfs de Victoriaanse Kerst was dus al nostalgisch. Gopnik schrijft het niet, maar misschien lag de Kleine IJstijd nog ergens opgeslagen in het Victoriaanse collectieve geheugen.

Onze Kerst heeft ook dat heimweekarakter, dankzij Dickens’ A Christmas Carol(1843), dat Kerst en kapitalisme voorgoed aaneensmeedde. Os, ezel en stal ten spijt is moderne Kerst een stedelijk feest, opgekomen tegelijk met de eerste winkelstraten. Met nepsneeuw en kleine Dickensiaanse raampjes van rode linten richten we dit Victoriaanse theater jaarlijks opnieuw in.

In onze verbeelding is winter ‘behalve een tijd natuurlijk ook een plek’, zoals Gopnik schrijft, gelegen op de Noord- en Zuidpool. Dat waren witte vlekken op de kaart waar de mensheid van alles op kon tekenen, zoals imperialistische projecten, tropische paradijzen verscholen in een ring van ijs of heldensagen.

Over de eerste poolexpedities worden nog steeds veel boeken gepubliceerd. Waarom zijn we hier nog steeds zo door gefascineerd? Volgens Gopnik omdat we in onze comfortabele huizen heimwee hebben naar mensen die, zoals Scott en Shackleton, ‘de wapens opnamen tegen de centrale verwarming.’ Extra aantrekkelijk voor de ongeremde 21ste-eeuwer is daarbij het nauwe korset van Victoriaanse deugd waarin die eerste poolreizigers bevroren zaten. Niet alleen hadden ze door de kou 45 minuten nodig om een lucifer af te strijken, ook waren ze verplicht in uiterste nood een ander hun schoen aan te bieden ter consumptie. (Dit laatste gebeurde echt en vond zijn weg naar de beroemde scène uit Charlie Chaplins The Gold Rush, 1925). ‘Hun moed was als wodka, puur en koud,’ schrijft Gopnik reclameachtig.

Dat wij in dergelijke geestkracht vandaag de dag niet meer geloven, bewijst de hedendaagse, gedesillusioneerde poolliteratuur, die er bij Gopnik wat stiefmoederlijk vanaf komt. Hij noemt bijvoorbeeld niet Ian McEwans Solar (2010) waarin een stel kunstenaars naar de Noordpool reist. McEwan weidt uit over angst voor bevroren edele delen, gehannes met dikke kleren en de desoriëntatie van zijn personages. Niks heroïek, moed of gevoel voor het sublieme, alleen nog frustratie over ongemak. Kwakkelmannen in een tijd van kwakkelwinters.

Gopniks slothoofdstuk ‘Remembering Winter’ gaat over winter als bevroren tijd – iets waar John Dryden in zijn libretto voor Purcells Frost Scene al over dichtte. Ook vraagt hij zich af of wij onze winters door klimaatverandering zullen verliezen. Hij beschrijft een Inuit-activiste die voor een mensenrechtencommissie een vurig betoog afstak over het ‘Recht op Kou’ van noordelijke volkeren.

Gopnik gaat uit van strenge, Canadese winters. Hulp bij grauwe Hollandse waaiwinters biedt dit boek daarom niet. Maar winterwarmte is wel een verklaring voor een verschijnsel waar je graag een Nederlandse appendix over zou lezen. Dat is winterhysterie, de hedendaagse variant van 19de-eeuwse winterbetovering.

Winterhysterie is te definiëren als het door media opgezweept, opgefokt belijden van rituelen uit een ander tijdperk. Een nacht ijs en er wordt gespeculeerd over een Elfstedentocht. Twee sneeuwvlokken en de spoorwegen doen alsof dit Siberië is. Winterhysterie is onze zucht naar elementen in tijden van vloerverwarming: we ontberen ontbering, en daarom hebben we er heimwee naar. En: winter maakt deel uit van onze nationale identiteit en die showen we in geglobaliseerde tijden graag door een nummertje Selbstdarstellung in dat zeldzame witte decor. De voorstelling begint meteen na het weeralarm.

Adam Gopniks Winter laat zien hoezeer wij hechten aan het afgebladderde, negentiende-eeuwse winterdecor waarmee we ons omringen. ‘We hebben de winter veroverd, getemd – en verloren,’ schrijft hij, en vervangen door ‘het theater van de winter’.

De auteur is zich hiervan bewust, maar het doet niets af aan zijn pure winterliefde, ontstaan toen hij als jongetje in Montreal door het raam naar een sneeuwstorm keek. En misschien heeft hij gelijk. Misschien ís het mogelijk om, nu je weet hoe ze ontstaan zijn, van plastic reuzensneeuwvlokken te houden. Want uit alle triviale kennis in dit boek stijgt het vertederende besef op dat zelfs de allerstompzinnigste clichés – blokhutten bij mini-ijsbaantjes, spuitsneeuw op rode linten – ooit nieuw, opwindend en fris zijn geweest. Inderdaad, als verse sneeuw.

    • Maartje Somers