Waarom wielrenners zo lang blijven liegen

Renners praten alleen over doping als het echt niet anders kan. Wie zit er te wachten op een besmeurd imago?

De waarheid is soms een smerig ding. Dopinggebruik in het wielrennen is zo’n waarheid: de betrokkenen zwijgen liever dan dat ze over doping praten.

Natuurlijk waren er in het verleden renners die de waarheid opbiechtten. De Amerikaan Floyd Landis deed het, de Duitser Jörg Jaksche deed het, de Italiaan Filippo Simeoni deed het, de Oostenrijker Bernhard Kohl deed het. Zij verbraken wel de stilte, sommigen gedwongen, anderen uit vrije wil.

Het kwam ze op hoon van collega’s en toeschouwers te staan. Verraders waren ze – en hypocrieten. Ook de Schot David Millar en de Amerikaan Tyler Hamilton worden door veel (oud-)collega’s zo behandeld. Dan hadden ze de belofte om te zwijgen maar niet moeten breken.

Over het dopinggebruik van anderen praten is al helemaal geen optie. Dat hoort bij de code van het vak. Anderhalve maand geleden zat Steven de Jongh (ex-TVM, ex-Rabo) bij Pauw & Witteman om zijn biecht toe te lichten. Hij praatte veel, maar zei niets, vooral niet over anderen. De dopingkeuze was die van hemzelf – en dat was dat. Hij was bang iets te veel te vertellen.

Niemand wil in zijn eentje de klappen opvangen. Oud-Raborenner Michael Boogerd zei dit weekend tegen de NOS – in reactie op het NRC-verhaal afgelopen zaterdag – dat ze eerst maar eens andere renners van zijn generatie moesten lastigvallen. Boogerd wil niet de kop-van-jut zijn. Alleen is maar zo alleen.

De renners die naar doping hebben gegrepen, zagen het vaak als iets onvermijdelijks. Kiezen of delen: meedoen voor het grote geld of in de marge blijven fietsen. Ze hebben niet het gevoel dat het grote publiek dit beseft. Ze zwijgen omdat ze bang zijn niet te worden begrepen, om de rest van hun leven voor vuil te worden uitgemaakt. Wat moet je met een imago dat in duigen ligt? Kun je dan nog fietsen verkopen? Lezingen geven? IJsdansen? Ploegleider worden?

Niemand is wielrenner geworden om doping te gebruiken. Bij elke affaire is er hetzelfde liedje: een paar renners worden aan de schandpaal genageld en daarna draait de wereld weer verder. Wie dopinggebruik bekent, is de rest van zijn leven besmeurd, maar aan het systeem is tot nu toe niets veranderd. Dan kun je net zo goed niets zeggen, vinden veel gebruikers.

Bovendien is er een praktisch gevaar aan bekennen: het kan leiden tot diskwalificatie van uitslagen, tot schorsingen en boetes. De Nederlandse Dopingautoriteit heeft aangegeven niet mee te werken aan speciale strafsystemen voor (ex-)wielrenners. Dit betekent dat gebruikers vrezen voor sancties. Steven de Jongh werd als ploegleider door het Britse Team Sky op straat gezet toen hij bekende meer dan tien jaar geleden doping te hebben gebruikt: ook dat is een mogelijk gevolg van opbiechten. De Amerikaan Lance Armstrong weet dat hij de gevangenis kan indraaien voor meineed, als hij alsnog dopinggebruik bekent. In de praktijk leiden al die strafmaatregelen ertoe dat renners met een dopingverleden nog banger zijn om te praten dan ze al waren.

Maar hoeveel renners er ook hun mond over houden: het dopinggebruik in het wielrennen is te groot om te bedekken. Onder druk wordt alles vloeibaar, en er zijn steeds meer renners – zowel gebruikers als niet-gebruikers – die de toekomst van de sport belangrijker vinden dan de ongeschreven afspraak om te zwijgen.