Twaalf keer meer liefde

Je moet veel uitleggen, als je in deze tijd twaalf kinderen hebt. Marcel en Ingridt Deijs kozen voor een mega-gezin. „Ik ken mijn ouders niet zo goed.”

Van links naar rechts: Jeffrey, Jordy, Marcel, Ingridt, Melissa, Wesley, Stefan, Remon en Naomi Deijs. Foto Lars van den Brink

De Amsterdamse bovenwoning van de familie Deijs, twaalf kinderen, meet 68 vierkante meter. Dat is 4,8 vierkante meter per mens, net iets meer dan de vrije uitloopkip.

De muren zijn roze. Het tapijt is roze. En de wc is roze. In de kleine keuken (oudroze) stapelt de vaat zich in de gootsteen op. Ingridt Deijs’ grootste wens is een afwasmachine. Maar die krijgt ze niet. Haar man, MarcelDeijs: „Wat moet je met een afwasmachine als je zoveel kinderhanden hebt?”

Hier, op vier hoog, woont het grootste gezin van Amsterdam. Met eigen kinderen dan, zegt Marcel. Zijn vrouw beviel achtentwintig jaar geleden van hun eerste zoon: Peter. Met een bijna ijzeren regelmaat kwam er iedere twee jaar een kind bij. Bij elke zwangerschap voelde ze zich de mooiste van de wereld. „Dat getrappel in je buik is een intens gevoel.”

In de kleine woonkamer staat een leren hoekbank met negen zitplaatsen. Vier kinderen zijn thuis. Ze hobbelen wat door de gang. Voor de jongste zoon is er een kinderstoel. Vader Marcel zetelt in de hoek achter zijn pc. Zijn hobby, zegt hij zelf. De televisie staat op SLAM!TV, want de jongste is gek van muziek.

Ingridt somt de kinderen van boven naar beneden op: „Peter, 28 jaar, Stefan 25, Melissa 23, Danny 22, Remon 20, Samantha 18, Wesley 16, Kimberley 14, Chantal 12, Jeffrey 10, Naomi 8 en dan Jordy. Daar zat wat meer tijd tussen.”

Jordy is drie.

Marcel: „Ons nakomertje.”

Grote gezinnen sterven uit in Nederland. Van gezinnen als Deijs, met twaalf kinderen, waren er 25 in 2010. Het aantal met acht of meer kinderen is de laatste tien jaar zelfs gehalveerd. Slingerend langs de biblebelt zul je grote gezinnen nog wel eens aantreffen. Daarbuiten zijn ze zeldzaam.

Zonde, vindt Marcel, die inmiddels op sokken in de woonkamer is gaan staan, handen in de zakken. Waarom, zegt hij, zou je het niet doen? Als je er één kunt krijgen, kun je er ook twee krijgen. „Nou, wij zijn doorgegaan tot twaalf.” Dat is twaalf keer zoveel gezelligheid, twaalf keer zoveel liefde.

Apetrots stuurde Marcel bij de geboorte van zijn laatste kind drie foto’s naar AT5. ‘Onze twaalfde is geboren’, schreef hij erbij. Jordy heeft het syndroom van Down. „Ieder kind is welkom hier. Dat wilden we laten zien.”

Vlak daarna stond Hart van Nederland op de stoep. Toen BNN, het Parool, Vriendin, SBS en uiteindelijk de NCRV. Die laatsten wilden een realitysoap. In december vorig jaar was de familie Deijs dagelijks op tv te zien in Een huis vol.

Vorige week begon een nieuwe reeks afleveringen, waarin de familie opnieuw wordt gevolgd. Ditmaal tijdens hun verhuizing naar Purmerend. Hoewel er het afgelopen jaar een aantal kinderen het huis uit is gegaan, werd de bovenwoning krap. En Ingridt, bij wie tijdens de laatste zwangerschap zenuwen bekneld raakten, heeft moeite met traplopen. „Jordy wordt zwaar”, zegt ze. En dan met al die boodschappen. Dat gaat niet meer.

De familie Deijs is een bezienswaardigheid op straat. Ze worden nagestaard. Er wordt gefluisterd over dat ze het doen voor de kinderbijslag. Subsidieslurpers. Een stelletje konijnen. Een gezin dat altijd moet uitleggen hoeveel rollen wc-papier er wekelijks doorheen gaan (tweeëntwintig).

Zijn gezin is alles behalve Tokkie, benadrukt Marcel. „Mensen beseffen niet dat het mijn kinderen zijn die straks aan hun bed staan om ze te wassen.”

Vraag je Marcel naar zijn manier van opvoeden, dan vergelijkt hij zijn gezin met een kleine maatschappij. Met Ingridt aan het hoofd. En met hemzelf als politieagent.

Een maatschappij waar strikte regels gelden. Regels die, wel zo helder, voor iedereen hetzelfde zijn: iedereen mag één keer per week zijn telefoon opladen – scheelt 40 euro per maand. Marcel: „Pappie betaalt wel, maar pappie neemt ook maatregelen”.

Niemand heeft een voordeursleutel. De deur is doordeweeks open tot half 12, erna kom je er niet meer in. Je mag twee keer de fout ingaan.

Tot twaalf uur ’s middags mag er gedoucht worden en niet langer dan vijf minuten per keer. En een pak voor de billen, dat krijg je als dat nodig is. „Ik durf te stellen dat ik streng ben”, zegt Marcel. Want zeg je tegen elf kinderen ‘A’, dan kun je niet tegen de twaalfde ‘B’ zeggen. „Dan krijg je opstand”, zegt hij.

Wat de spitsperiode in hun leven was?

Ingridt: „Goh, die heb ik eigenlijk niet gehad.”

Marcel: „Je kunt rustig stellen dat mijn vrouw alles alleen heeft gedaan.” Marcel, 23 jaar vrachtwagenchauffeur en nu vaak ’s nachts aan het werk als voorman bij een pakkettendienst, was nooit thuis. Ingridt had haar man er ook niet bij willen hebben. „Ik kan het gemakkelijk alleen.”

Het is twaalf uur. Jeffrey (10) en Naomi (8) komen uit school. Ze willen een boterham. Ingridt roept vanaf de bank dat ze pannekoeken kunnen pakken. Terwijl Naomi om brood jammert gooit Jeffrey in de keuken met een bal. „Hé hou jij op!” roept Ingridt.

In de jongenskamer met stapelbedden zit Danny (22) al de hele ochtend achter de computer. „Danniiieee”, roept Kimberley (14). „Wanneer maak je nou m’n internet?”

Danny is nooit alleen. Ook niet gewend, zegt hij. Soms wandelt hij, alleen, maar dan luistert hij muziek. Anders raakt hij verveeld. „Ik wil al altijd iemand om me heen hebben, dat hebben we allemaal.”

De voordelen van opgroeien in een groot gezin ziet Danny zeker. Verantwoordelijkheid, leren delen en altijd iemand die je helpt. Altijd is er iemand om mee te praten en je weet precies hoe de een op de ander reageert. Wie wanneer boos wordt, en hoe je je zus uit de douche krijgt.

Maar echt praten, weet Danny, dat is er met zoveel mensen thuis niet bij. Hij merkte dat toen hij en zijn zus Melissa (23) dezelfde bijbaan hadden. „Toen hoorde ik opeens dat ze met haar rijbewijs bezig was.”

Een uurtje alleen met zijn ouders, dat zou Danny graag eens zijn. „Ik ken mijn ouders niet zo goed”. En als hij dan een vraag aan hen zou mogen stellen? „Dan zou ik vragen waarom ze twaalf kinderen hebben.”

Een dertiende komt er wat zijn ouders betreft niet. Aan condooms doen ze niet, zegt Marcel. „Die bewaar ik voor verjaardagen.” Marcel zorgt gewoon dat er geen ongelukjes meer gebeuren. En dat het laatste kind het Downsyndroom heeft was voor Ingridt een teken van boven. Het is genoeg. Dus ze zijn er over uit? Ingridt na een korte stilte: „Ja en nee.”