Neonlicht is als een Avondster

Elke week schrijft Arjen van Veelen over mythes waar de moderne mens in gelooft. Vandaag: neonreclame als warm bad. ‘BIJNA THUIS’.

Op het dak van een seniorenflat aan het Kleinpolderplein in Rotterdam, daar waar de A13 uitmondt in een kluwen van fly-overs, staat sinds jaar en dag een rare lichtreclame. Het gevaarte bestaat uit een stuk damwandprofiel, met daarop rode en blauwe doosletters, ongeveer twee en een half meter hoog. De contouren zijn afgezet met dunne neonbuizen, waardoor de letters ’s nachts niet in elkaar overvloeien, maar ook van ver helder zichtbaar zijn.

Er staat:

VAN LEEUWEN BUIZEN

En in een kleiner lettertype:

ZWIJNDRECHT

Daarnaast twee leeuwen met de tong uit de mond, die samen een wapenschild vasthouden, met daarop vijf buizen.

Reclame is vaak vluchtig als gras. Billboards zijn omkoopbaar; posters vergelen, verversen, vergelen weer. Maar dit lichtbaken prijst al sinds mensenheugenis – in elk geval sinds mijn heugenis – buizen uit Zwijndrecht aan. En waar de meeste snelwegreclames beloften in je gezicht wapperen over status, geluk, hamburgers, verlossing uit al je lijden, daar dringt deze reclame, op één van de drukste plekken van het land, je niets op.

Nou ja, buizen, dus. Maar wanneer koopt een mens een buis? En waarom in Zwijndrecht?

Het is een fossiele pop-up van neon – maar niet het kille neon van Hendrik Marsman, die in 1939 dichtte over „’t helse neonlicht der dode stad”. Ook niet het neon uit het lied ‘Over de Muur’, met z’n „neonreclames die glitterend lokken”. Nee. Dit neon is voor honderdduizenden nachtelijke passanten een warm baken. Een Avondster. Voor die mensen vormen de letters ’s avonds een ander woord. Zij lezen niet ‘BUIZEN’, maar: ‘BIJNA THUIS’.

Als kind woonde ik hier om de hoek. Ik kwam vaak langs het bord. Elke zondag, bijvoorbeeld, als we twee maal naar de kerk reden (en vier maal langs het bord). Naar de kerk ga ik nu niet meer en ik woon al jaren in een andere stad, maar nog steeds, als ik er toevallig langs rij, denk ik even: thuis.

Ik heb dit neon lief, omdat het niets van me wil. Het is er – en dat is het. Geen opsmuk. Geen slogan. Geen listen. Geen pay off. Alleen: buizen. Prettig letterlijk.

Zo zou de wereld moeten zijn.

Maar de geest kruipt waar hij niet gaan kan. En af en toe kriebelde de vraag wat er achter die letters zat, wie dat toch was, die Van Leeuwen, met zijn buizen. Want er moest toch een reden zijn dat dit bord al zo lang bestond? Wie deed het licht aan? Wie onderhield het neon? En ik nam me voor dat, mocht ik ooit een buis nodig hebben, ik die in Zwijndrecht zou aanschaffen.

Maar ik had nooit buizen nodig. Daarom besloot ik enkele weken geleden een bezoek te brengen aan Van Leeuwen Buizen, te Zwijndrecht. Zomaar. They owe me.

Er bestaan allerlei hele grote bedrijven die vrijwel niemand kent. Ze handelen in grondstoffen. Ze zitten in granen. Ze zijn gigantisch. Het zijn de stille krachten van de wereldorde. Zo heb je ook bedrijven die de wereld voorzien van buizen.

Van Leeuwen Buizen heeft ruim vijftig vestigingen wereldwijd, van Vilvoorde tot Singapore. De omzet was vorig jaar 610 miljoen euro. Vanuit het centrum van Zwijndrecht rij je over de Lindtsedijk, langs de Oude Maas, langs honderden meters bedrijventerrein, tot de opslagterreinen en magazijnen van Van Leeuwen opdoemen.

In de hoge entreehal van het hoofdkantoor staat een standbeeld van de oprichter, Piet van Leeuwen (1903-1985). Er staat een spreuk op het voetstuk: mille periculis supersum, duizend gevaren kom ik te boven. Piet was een gereformeerde mannenbroeder, selfmade man. Op zijn eenentwintigste begon hij een handel in tweedehandsbuizen.

Ik ontmoet Leo Oostdijk. Hij was hier 46 jaar in dienst. Nu is hij met pensioen, maar hij verricht nog hand-en-spandiensten, zoals het rondbrengen van de kerstpakketten. Hij werkte hier al toen ‘de oude Piet’ nog dagelijks zijn rondje over de werkvloer liep. Nog altijd is Van Leeuwen een familiebedrijf, maar de schaal is nu wel anders.

In de jaren zestig, zeventig, vertelt Oostdijk in de kantine, zag je de opkomst van de lichtreclame naast de drukker wordende snelwegen. Het was een nieuw massamedium. Op een dag werd het bedrijf benaderd door Haaxman Lichtreclame B.V. met de vraag: „Joh, ik heb dat dak, zie je er wat in”?

Hij pakt een ordner uit het bedrijfsarchief en toont de officiële brief uit 1976 van Haaxman. ‘Lichtreclame rotonde Kleinpolderplein Rotterdam’. En daaronder: ‘Zeer geachte directie, Dit is Uw kans om met één reclamepunt dagelijks een groot deel van het verkeer in de Randstad Holland te bestrijken’.

Een jaar later werd het contract getekend. Voor 25.000 gulden huur per jaar, plus 38.101 gulden onderhoud, kreeg P. Van Leeuwen Jr’s Buizenhandel B.V. een plek op het dak. Niet zonder slag of stoot.

Vliegveld Zestienhoven protesteerde aanvankelijk, omdat het rode licht de vliegtuigen zou kunnen afleiden. Ook de welstandscommissie had bezwaren. Automobilisten zouden afgeleid worden door die borden. „Toentertijd”, zegt Oostdijk, „zag je niet veel lichtreclames”.

Toen het ding er eenmaal stond, werd het al snel een icoon van Rotterdam. Als het licht niet brandde, regende het telefoontjes. Een keer viel na een zware storm de ‘Z’ uit. Toen stond er dus: ‘Van Leeuwen Buien’. Dan deed Oostdijk het ding maar helemaal uit. Soms leidde de bedrijfsnaam tot verwarring. Het gebeurde regelmatig dat een leverancier met twintig ton buizen onderaan de flat stond, in plaats van in Zwijndrecht.

De lichtreclame werd ook een soort waarschuwingslampje voor de economische toestand. Ging het slecht, dan was de kritiek: moet dat ding nou de hele nacht branden? Soms ging het licht dan al om twee uur ’s nachts uit, soms zelfs om twaalf uur; dat golfde met de economie mee.

Tijdens de oliecrisis brandde het licht een tijdje helemaal niet. Maar als de economie weer aantrok, was juist de vraag ‘waarom brandt-ie niet?’ Of: ‘Mercedes brandt wel, waarom Van Leeuwen niet?’. En dan ging het licht meestal weer aan.

    • Arjan van Veelen