LEZERS OVER HUN OVERGETELIJKE KERST

BlueBand-doos

Het is een paar dagen voor Kerstmis, 1951. Ik ben tien jaar oud. Ik woon met mijn ouders en zeven broers en zusjes in een klein Brabants dorp aan de Maas.

Mijn vader is er hoofd van de Lagere School die twee lokalen telt: een voor klas 1, 2 en 3, waar een gezellige mollige juf de scepter zwaait, en mijn vaders lokaal voor klas 4, 5 en 6 en alles wat daarboven komt. Wij wonen in het schoolhuis, dat tegen de school is aangebouwd.

Het is koud. Strenge vorst, sneeuw, een harde wind over het vlakke land. Ik mag gaan logeren bij oom Has in het geboortedorp van mijn vader en ik maak de reis alleen. Wel brengt mijn vader me naar het station en ik loop met mijn hand in de zijne. Hij draagt in zijn andere hand mijn bagage, verpakt in een BlueBand-doos waaraan hij met een touwtje een handvat heeft gemaakt.

Onderweg naar het station krijg ik instructies: uit de trein stappen als die de eerste keer stopt, dan lopen naar de vijfde bus voor het station, die naar Vorstenbosch gaat. Tegen de chauffeur zeggen dat hij me moet waarschuwen als we daar bij de kerk zijn. Daar uitstappen met mijn margarinedoos en naar het café tegenover de kerk gaan. Tegen de man achter de toog zeggen dat ik een dochter ben van Toon van der Heijden, en dat ik een fiets wil lenen. Dan komt het moeilijkste stuk: aan de hand van een door vader getekend plattegrondje moet ik naar de boerderij van oom Has en tante Marie fietsen. Hoe dat met de doos moet wordt er niet bij verteld.

Alles verloopt volgens plan, totdat de cafébaas zegt: „Toon van der Heijden? Ken ik niet.”

Ik ga dus lopen volgens het plattegrondje, wat niet zo makkelijk is want er ligt een dik pak sneeuw en het karrenspoor waar ik langs moet is moeilijk te vinden. Ook wordt het al een beetje donker. Het touw van de doos snijdt in mijn hand en de gemene wind waait dwars door mijn dunne donkerblauwe manteltje. Maar ik vind de boerderij en word er opgewacht met vers krentenbrood en warme thee.

Daar breng ik de kerstvakantie door. Mijn nichtjes zijn nog te klein om mee te spelen en ik mis mijn broertjes en zusjes.

Mijn ouders, oom en tante waren heel gewone mensen, zorgzaam en plichtsgetrouw. Hoe konden ze een kind alleen op zo’n expeditie sturen? Daar en toen was dat heel gewoon. Mensen waren hard voor zichzelf en voor hun kinderen.

Ik heb er een uitstekende gezondheid en veel zelfdiscipline aan overgehouden.

Bergen op Zoom

Tamme eend

Mijn moeder, broertje en ik zaten in 1943 al bijna twee jaar in een Jappenkamp. Was de wereld ons vergeten?

Die Kerstavond zouden we onze magen weer eens vol eten en wel met een gebraden eend. Mijn moeder had besloten onze laatste eend aan dit festijn op te offeren. Volgens haar zou het heus de laatste Kerst in het kamp zijn. Entok, zo noemden wij onze zeer tamme eend, was nog niet zo oud, maar legde zelfs geen windeieren meer door gebrek aan behoorlijk voedsel. Ondanks de honger vonden wij het een droevig lot voor ons huisdiertje.

Onze achterburen zaten met hetzelfde probleem. De oplossing werd gevonden. De eenden werden verruild en het werd een verrukkelijk diner bij het licht van een oliepit. Van ergens klonken kerstliederen, gezongen door een paar vrouwen: een sfeer ven hoop, die ik nooit heb vergeten. Van Kerst 1944 herinner ik me niet dat we iets anders te eten hadden dan het gewone: bijna niets! Waar gaat het om? De sfeer, die je even gelukkig doet voelen en hoop geeft!

Yvonne Schalkwijk-Buffart

Rotterdam

Kerst 1944

Het was raar, het was oorlog. Je ging niet naar school. Die was gesloten. Bovendien had ik het veel te druk. Elke dag naar het bos met mijn vader met een zaag en een sleetje om hout te stelen. Dat stelen mocht van mijn vader: het was oorlog. Thuis zaagde mijn broer blokken van de korte stukken stam. Die stukken werden steeds dikker. De makkelijk te zagen bomen waren het eerst op. Het was koud. De oude kaplaarzen van mijn broer kon ik met drie paar sokken over elkaar wel aan. Je bleef koude voeten houden. En honger. En angst als ’s nachts de vliegtuigen overkwamen: vol heen en leeg terug. En beide keren hoorde je het afweergeschut. Kerstmis was een rustpunt, iets om naar uit te kijken. We hadden een klein kerstboompje, ook gestolen, met blikken kaarshouders met stompjes kaars erin, overgehouden van andere jaren. En mijn moeder had na lang in de rij staan een fles ‘chocoladedrank’ gekocht.

Het was dacht ik Tweede Kerstdag, het eten was op: suikerbieten met suikerbieten en koolsoep. Mijn moeder stak net de kaarsjes aan toen we een raar hortend geluid hoorden dat steeds harder klonk. „Een foute”, zei mijn broer. „Naar de kelder”, zei mijn vader. Toen we halverwege de keldertrap waren klonk een harde klap, niet op ons huis. We hadden weer geluk gehad: vader 60, Simon 16, we waren nog met ons vieren bij elkaar. We dronken het restje van het bruine vocht, ja. Lekker. En morgen weer naar het bos. De oorlog zou nu toch wel gauw over zijn. Maar wat als we in de frontlinie kwamen te liggen? Zou ik dan nog wel elf worden?

’s-Graveland

    • Mieke de Moor
    • E. Scherpel-Touber