lezers over hun onvergetelijke kerst

Pommes Parisienne

„Als jullie nog een keer klooien met de kaarsen, dan gooi ik de hele flikkerse boel in de vuilnisbak en dan is dit onze laatste Kerst!” Het is 25 december 1979. Mijn moeder staat met een rood hoofd in de deuropening van de huiskamer, een vleesmes in de hand. Het kaarsvet druipt over onze vingers en op het tafelkleed.

Mijn vader heeft zijn hulp in de keuken al drie keer aangeboden. Het is drie keer afgewezen. Verongelijkt blijft mijn moeder mopperen, dat ze het deze Kerst weer allemaal alleen moet doen.

„Mam, mag ik de aardappeltoefjes doen?” Ik krijg een duw richting huiskamer. „Je strategoot met je broer tot je geen vlaggen, bommen en luitenanten meer kan zien. En anders maak je demenukaarten maar.” Ik krijg wat kartonnetjes en een goudstift in de handen geduwd. „Aardappeltoefjes heten een keer per jaar pommes parisiennes. En nu m’n keuken uit!”

„Het diascherm ligt toch in de garage?” Mijn vader steekt zijn hoofd om het hoekje. Hij ziet er even radeloos en verhit uit als mijn moeder. „Op de vliering, schat.” „Oh ja. En de projector?” „Die ligt al tien jaar onder ons bed.” Met haar linkerknie schuift ze een stuk gebraad de oven in en met rechts roert ze in een rodewijnsaus. „Maar bespaar je de moeite, de lamp brandde vorig jaar door, toen we bij de dia’s van Portugal aanbelandden”.Triomfantelijk wuift mijn vader met een doosje. „Ik heb aan alles gedacht.”

Mijn broertje is voor de zevende keer aan de verliezende hand. Hij keilt het Stratego-bord door de kamer en stiefelt naar de keuken. Hij plant zijn handen in zijn zij en meldt dat hij geen spruitjes en rode kool eet als het toetje geen ijstimbaal is. Mijn moeder sist. „We eten cassata van Iglo dit jaar en dat is ook heerlijk. Geen ijstimbaal, waar ik een halve dag mee kwijt ben.” „Maar ik wil ijstimbaaaaaaaal”, gilt mijn broertje. Hij krijgt een klap in zijn gezicht. Ik hol naar de keuken en schreeuw: „Als je gaat meppen dan eten we helemaal niet mee, hoor!”

Mijn moeder kijkt ons aan met een blik waar verdriet, boosheid en wanhoop om voorrang dringen. Ze ademt diep in en knoopt langzaam haar keukenschort los. Ze draait het gas onder de saus uit, de ovenplaat met pommes parisienne veegt ze schoon boven de afvalbak en ze draait de oven van 180 naar 0 graden. „Waar zijn de dia’s van de laatste drie vakanties?”, roept mijn vader vanuit de berging. Ik hoor het gezoem van de projector.

Het is 2012. Ook dit jaar zijn we uitgenodigd voor de kerstdis. Boerenkool met worst.

Haarlem

Duiken

De verlichting in het Slotervaart Ziekenhuis op Kerstavond 2002 was schemerig. Mijn medische kennis had ook veel zwarte gaten, en af en toe een lichtje. Wiebelig had ik mijn eerste schreden als arts-assistent gezet. Mijn boekje met alles wat ik moest weten hield ik bij iedere stap angstig tegen de borst geklemd. Tussen alles wat ik niet wist, was één ding heel duidelijk: de arts-assistent van de chirurgie was fantastisch. Knappe brede rugbyer. Toen ik hem eens stiekem op de kinderafdeling observeerde, stond hij met een patiëntje op de gang te voetballen. Zo eentje.

Maar hoe met deze adonis die ook nog Adam heette in een gesprek te raken dat verder reikte dan paracetamol en wat te doen met jongetjesbaby’s zonder ingedaalde balletjes? Informatie over hem was schaars. Via via hoorde ik dat hij veel vakanties spendeerde aan duiken.

Dus flapte ik er bij een volgende vluchtige ontmoeting uit: „De volgende keer dat je gaat duiken, ga ik mee hoor!” Weken achtereen zag ik hem daarna niet. Tot die Kerstavond. Het ziekenhuis was donker en stil. Op de eerste hulp trof ik hem onder de kerstverlichting. „Lang niet gezien”, piepte ik. „Was je weer aan het duiken?” Glimlachend antwoordde hij dat hij de laatste tijd niet gedoken had. Maar over tien dagen ging hij weer duiken op Cuba. Stomverbaasd over wat ik mezelf hoorde zeggen, keek ik hem aan: „Ik dacht dat je nooit meer zonder mij ging duiken?”

The rest is history. Ik mocht mee duiken op Cuba. Na wat ongemakkelijke momenten („Hoi met Adam, ik zit in het reisbureau. Ik vroeg me af, ga je nog mee?...Oké leuk, maar de mevrouw van het reisbureau heeft je achternaam nodig en die weet ik niet. En ze vraagt ook of we een één- of tweepersoonsbed op onze hotelkamer willen”) zat ik naast hem in het vliegtuig.

Sinds het ga-je-mee-naar-Cuba onder de kerstverlichting, hebben we verkering. Deze Kerst is het tien jaar aan. Inmiddels hebben we de hele wereld afgereisd. En de dokter die me anderhalve week voor mijn onverwachte vertrek naar Cuba toch uitroosterde en vrijgaf, sturen we bij de geboorte van iedere dochter een kaartje. Het zijn er inmiddels drie.

Nijmegen

Het kindje

Ik (1946) moet zes jaar zijn geweest, of misschien zeven, toen mijn moeder ons kinderen in de middag van Eerste Kerstdag voorstelde de kerststal te gaan bewonderen in de kapel van het nonnenklooster in het Brabantse Best, onze woonplaats. Bij ons bezoek aan de nachtmis in de katholieke St. Odulphuskerk van het dorp, de avond tevoren, hadden we met open mond staan kijken naar de prachtige kerststal met Maria, Jozef, de drie koningen, de herders en natuurlijk het kindje Jezus. „De ‘zusters’ hebben vast ook een mooie stal”, zei mijn moeder. Enthousiast liepen mijn moeder, broers, zusje en ik naar Huize Nazareth, waar de nonnen woonden. Aangekomen bij het klooster zei mijn moeder tegen de ‘zuster’ die de deur opende: „Wij komen naar het kindje kijken.” „Dat kan”, was het antwoord en ze leidde ons via een donkere gang naar een kamer waar een dodelijk verongelukte kleuter lag opgebaard.

Wagenberg