Kerstverhaal

Kerst in het dorp waar ik ben opgegroeid is het Kerstfeest van de zondagsschool. Die zondagsschool werd vijftig jaar lang geleid door dezelfde man, die daarvoor elke zondag zijn nette grijze pak aantrok om ons de basisbeginselen van het geloof bij te brengen. De oudste basisschoolkinderen speelden het kerstverhaal na, met ketende jongens die elkaar aan de herderbaarden trokken en engelen in flanellen hoeslakens.

Maar voor de kleuters vertelde het hoofd van de zondagsschool een kerstverhaal. Het verhaal dat ik me nog het best herinner, ging over een arm meisje dat op Kerstavond haardhout moest halen voor haar bedlegerige moeder. Er lag een dik pak sneeuw en het meisje kreeg koude voeten omdat er gaten in haar laarzen zaten. Door alle sneeuw zag ze niet dat ze op de treinrails liep. De trein verraste haar en reed over haar benen.

„En de sneeuw kleurde rood van het bloed”, sprak onze leider.

De kleuters keken hem met grote ogen aan. Een doodbloedend kind in een kerstverhaal voor kleine kinderen. Ik zie het Studio 100 nog niet doen. Gelukkig bloedde het kind niet dood; ze werd gevonden door de zoon van een rijke man uit de buurt. Die jongen regelde twee kunstbenen voor het meisje. En ze leefden nog lang en gelukkig.

De moraal van het verhaal zal wel zijn geweest dat je a) blij moet zijn dat je ouders centrale verwarming hebben en b) dat je wat voor een ander over moet hebben, bijvoorbeeld twee kunstbenen. Nou, met die wijsheden werden wij de wereld in geslingerd.

Het was natuurlijk verschrikkelijk, zo’n Kerstfeest. Iedereen kreeg een melig mandarijntje en een kopje warme chocolademelk, de leiding had rode vlekken in de nek omdat er altijd kinderen kaarsvet in het haar kregen of omdat er altijd een herder vanaf de kansel „daar hoorden zij engelen zingen... AJAX AJAX!” begon te brullen.

Maar toch. Er is één ding waardoor een Kerst met kleuters altijd de moeite waard is. Iets waar Willem Wilmink al eens over dichtte. Hij dichtte dat hij wou dat hij genieten kon, zoals andere mensen doen. Maar dat lukt niet. Hij kan niet van schoonheid genieten. Maar in de laatste strofe zegt hij: ‘Was ik langs een school gelopen/ stonden daar de ramen open/ hoorde ik de kinderen zingen/ Kon mijn tranen, lang vergeten tranen /niet bedwingen’.

Dat is het. Zingende kinderen. Daar kan niemand tegen. Denk daar maar aan, aan Willem Wilmink, wanneer er deze week weer een herder vanaf de kansel spreekkoren staat te schreeuwen.

    • Nynke de Jong