Gino

‘De andere kinderen zullen je uitlachen omdat je moeder een poetsvrouw is.’

‘Maar ik wil alleen maar naar díe school.’

‘Nee, jongen, je hebt niets te zoeken tussen die rijkeluiskinderen.’

Mijn moeder keek droevig, zoals altijd wanneer ze me ‘jongen’ noemde, als ze me moest reduceren tot een naamloos kind, omdat naamloos in haar hoofd synoniem was met gehoorzaam. Of althans de verplichting om dat te zijn, omdat ze het beste met me voor had. Omdat ze mijn enige ouder was.

Ook broers of zussen waren er niet. Wel een voorgeschiedenis van zes miskramen. Ik was de zevende poging, en alsof de logica van dat heilige getal strikt gevolgd moest worden, kwam ik ook na zeven maanden ter wereld. Na een tijdje in de couveuse mocht ik, met het medische keurmerk ‘gezond genoeg’, de echte wereld in. De enige handicap die overbleef, was mijn naam.

Mijn moeder had me vernoemd naar Gino Vannelli, een uitgerangeerde Canadese zanger, omdat ze zijn ‘It hurts to be in love’ zo mooi vond, zo toepasselijk op haar eigen leven. Ze zei altijd weer dat het pijn had gedaan om verliefd te zijn op mijn vader. Ze kreeg geen lucht wanneer hij thuiskwam, of moest zo hard lachen om zijn grappen dat haar buikspieren in een kramp schoten. Wanneer hij voor zijn baan in het buitenland zat, kreeg mijn moeder steevast een koortsaanval, beweerde ze. Misschien dat mijn vader daarom verdween toen ik drie jaar oud was, om mijn moeder te verlossen van de pijn.

Ik heb hem nooit meer gezien. Heb er ook geen behoefte aan. De man op de plakboekfoto’s zegt me weinig, ik had het ook geloofd als mijn moeder bij een willekeurig ander gezicht had gezegd dat het dat van mijn vader was. Mijn moeder noemde hem een schaduw, ontastbaar, maar altijd aanwezig. Toen ik als puber, geërgerd door dat vergoelijkende cliché, vroeg waarom ik hem dan niet kon zien, antwoordde ze: ‘Als je recht in de zon kijkt, kun je nooit je eigen schaduw zien.’

Voor haarzelf gold dat alvast niet. Mijn moeder was altijd angstig, achterdochtig dat er zich achter haar rug – waar die schaduw zich bevond – allerlei onheil afspeelde, bezig haar te besluipen.

Om dat gevaar af te wenden moest ik naar die andere school, ver weg van potentiële pesters. Dacht mijn moeder. In de praktijk werd ik in die nieuwe omgeving van het begin af aan belaagd. Alles aan mij was ideaal: mijn brilletje, mijn konijnentanden, mijn warrige haar, mijn teruggetrokkenheid. Ringen van een al te makkelijke schietschijf.

Ik zei er mijn moeder niets van, probeerde me op te trekken aan de gedachte dat ze nu met gerust gemoed haar poetswerk kon doen. Toch wilde ik elke ochtend liever met haar mee dan in de bus te stappen waar ik spottend werd begroet met: ‘Kijk, daar heb je Gino de professor weer.’

Een jongenskoor aan gelach. Dagelijks sloeg ik het uit mijn oren, terwijl ik inwendig die naam vervloekte. Zeker toen algauw bleek hij ook rijmde op ‘homo’.

Later werd het ‘pianohomo’, omdat mijn moeder het muzikaal talent in mij naar boven wilde stuwen, zo fanatiek dat ik, onder toezicht van een professionele lerares, dagelijkse en urenlange oefensessies moest afwerken terwijl ze zelf de bloemetjes ging buitenzetten. Op weekdagen was mijn moeder bijna elke dag weg. Ze deed aan aerobics, tennis, fitness, stond ingeschreven in twee knutselclubs. In de weekends was ze altijd thuis en nam ze, met nog grotere gestrengheid, de taak van de pianolerares over.

Als ik even niet speelde, kwam ze na een halfuur mijn kamer binnen en zei: ‘Gino, het is zo stil in huis.’ Ik knikte dan, waarna haar verwachtingsvolle blik me maar één optie liet: toonladder op, toonladder af, het ene kinderdeuntje na het andere. Het kon mijn moeder niets schelen, ze gaf geen moer om de schoonheid van de stukken, laat staan om de technische perfectie van mijn uitvoering. Haar droom was het niet een concertpianist in huis te hebben, maar muziek. Lawaai. Leven. Ook al moest dat leven dan soms afgedwongen worden.

De piano had ze op afbetaling gekocht, want met haar karige loontje, waarvan jarenlang een deel opging aan de vervanging van mijn kapotgegooide brillen, zou het een eeuwigheid vergen om het kapitaaltje bijeen te sparen. Met mijn vader was ook het geld met de noorderzon verdwenen. Ons huis was bouwvallig, het meubilair bijeengeschraapt in tweedehandszaken. Idem voor mijn kleding en speelgoed. Ze zei altijd dat we ooit rijk zouden zijn en in een paleis zouden wonen. Tot mijn tiende geloofde ik mijn moeder, daarna moest ik vooral helpen om het háár te doen geloven.

Een ommekeer kwam er pas toen ik op mijn veertiende eindelijk van school mocht veranderen. Meer nog, ik zou naar de kunstschool gaan, waar ik om andere redenen weer een merkwaardigheid was. Het kon veel erger, moest erger. Ik leerde blowen, bloemenhemden dragen, sloot me aan bij een geïmproviseerd rockgroepje, begon zelfs enkele dingetjes te componeren. Gino was plots geen scheldwoord meer, maar een jaloersmakende artiestennaam. De dragende kracht van puberfantasieën. Soms bekten die dromen zelfs goed, zoals ‘Gino & The Skulls’ of ‘Gino in Reno’. Hun omlooptijd van een tweetal weken deerde niemand. Evenmin het feit dat er van echte nummers, baanbrekende muziek of festivaloptredens met bijhorende groupies niets terechtkwam.

Tegen mijn moeder vertelde ik nauwelijks iets van die wekelijks wisselende plannen. Ze had het er trouwens veel te druk voor, haar hobby’s namen nu ook haar weekend in beslag. Zelfs de muzikale drilsessies schoten er bij in. Dat gaf me een vrijgeleide om nog meer tijd met mijn vrienden te spenderen, in de kroeg, in smoezelige repetitieruimtes, op grasveldjes waar mijn vingers steeds behendiger werden in het rollen van joints. Steeds minder rolden ze over het klavier. Toch beweerde mijn muziekleraar op school dat ik talent had, dat ik erover moest nadenken om naar het conservatorium te gaan. Studeren in de grote stad, nieuwe mensen, het zou me deugd doen.

Het plan klonk aanlokkelijk, maar echt ernstig dacht ik er op dat moment nog niet over na. Vooral het idee opnieuw tergende oefensessies te moeten verduren schrok me zodanig af dat ik alles op de lange baan schoof. Wat zou mijn moeder er bovendien van vinden, ik weg uit de vertrouwde omgeving, terwijl zij alleen achterbleef in een huis dat allergisch was voor stilte?

Vlak na mijn zeventiende verjaardag hakte ik de knoop door. Ik zou het doen, zeker nu vele van mijn vrienden ook studieplannen hadden, zij het dan geen muzikale. Ik wilde het mijn moeder vertellen toen ze om elf uur ’s avonds thuiskwam, maar haar gelaat stond op onweer. Haar sporttas stond halfgeopend op de bank, haar gezicht parelde nog, terwijl ze zuchtend een sigaret opstak. Ik wilde een grapje maken en zei dat ze het sporten onmiddellijk tenietdeed door dat gerook.

Mijn moeder reageerde niet, blies grote, blauwige kringen de kamer in. Ze had goedkope lipstick op, die door het zweet een beetje uitgelopen was.

‘Moeder, ik wil met je praten over volgend jaar.’

‘Volgend jaar?’

‘Ja, wanneer ik van de middelbare school af ben.’

Mijn moeder knikte, frummelde, hoewel ze nog een halve sigaret had, met haar linkerhand al een nieuwe uit het pakje. ‘Wil je er ook een?’

Hoewel ik mijn rookgewoonte altijd had proberen te verdoezelen voor mijn moeder, accepteerde ik. Schoof de sporttas, die verrassend licht was, opzij en ging naast haar zitten op de bank. ‘Weet je nog dat je zei dat we later in een paleis zouden wonen?’

Even keek mijn moeder verbaasd, maar toen leek ze het zich te herinneren. Nochtans was ze pas vorige zomer definitief opgehouden over de jarenlang voorgespiegelde rijkdom, alsof die pas toen werkelijk onbereikbaar was gebleken.

‘Dat hoeft voor mij niet, moeder. Ik ben blij zoals het nu is, zoals het is geweest.’

‘Is er iets, Gino?’

‘Ik wil volgend jaar naar de stad,’ antwoordde ik, beseffend dat mijn vertragingsmanoeuvres doorzien werden.

Mijn moeders lippen lurkten lang aan haar sigaret, waarna ze traag, met onregelmatige pufjes, de rook in mijn richting blies. Dat ritueel herhaalde ze drie, vier keer. ‘Dat is goed, jongen,’ zei ze ten slotte.

‘Maar je weet nog niet eens wat ik daar ga doen.’

‘Iets heel boeiends. En wanneer je terugkomt, zul je heel veel geld hebben.’

Ik doofde mijn eigen sigaret en keek mijn moeder strak in de ogen, ik weet nog dat ik echt checkte of haar pupillen vergroot waren. ‘Gaat het, moeder?’

‘Natuurlijk. Ik ben uitgeput, dat is alles.’

‘Sport je de laatste tijd niet te veel?’

‘Misschien wel,’ antwoordde ze met een grijnslach. ‘Ik zou beter wat meer roken, dat is ook goed voor de lijn. Maar dat mogen de dokters natuurlijk niet zeggen.’

Ik pakte haar vaalbleke onderarm beet en nam de sigaret uit haar hand. ‘Moeder, je moet jezelf verzorgen.’

‘Dat doe ik, wees gerust. Mama zorgt voor alles en iedereen, ook voor jou. We gaan ervoor zorgen dat je daar een fijne tijd hebt.’

Was haar toon ironisch, of alleen maar vermoeid? Ik besloot haar met rust te laten en ging, terwijl mijn moeders hand opnieuw naar het pakje sigaretten greep, naar mijn kamer. Voor de laatste keer.

Ik woon nu in een fraai pand in het centrum, en zit in mijn derde jaar aan het Conservatorium. Het huis van mijn moeder is verkocht, mijn pleegouders hebben alles geregeld. Het was een bevriend stel, een collega-poetsvrouw, Sylvia, en haar man Edwin, die me zo goed opgevangen hebben dat ik hen sinds mijn achttiende af en toe wat toesteek, iets wat Sylvia altijd met rood hoofd accepteert. Ik ben blij dat ik hen nu kan helpen.

Geld is geen probleem meer. Mijn moeder bezat, behalve het huis, waarvan ze altijd beweerd had dat ze het huurde, nog twee gronden in Oost-Europa die elk een paar ton waard waren. Het was duidelijk dat het geld in oorsprong cash was geweest, al kon er dan met tussenpersonen en vennootschappen gewerkt zijn.

Was mijn moeder, onder de dekmantel van poetsvrouw, een crimineel geweest? Ging ze elke avond op het dievenpad terwijl ik mijn toonladders oefende? Het lijkt me te belachelijk voor woorden, mijn moeder zou er nooit de koelbloedigheid voor gehad hebben. Misschien was ze luxeprostituee.

Soms denk ik dat al het geld van mijn vader komt, al is dat waarschijnlijk te optimistisch.

‘Je moet er maar niet aan denken’, zegt Sylvia altijd. ‘Wees blij dat je moeder je een hele hoop poen heeft nagelaten waar je nu van kan leven. Je moet ervan genieten, zo had je moeder het ook gewild. Ze heeft zich het eten uit haar bek gespaard voor jou.’

Sylvia meent het, hoewel ik de medelijdende blik in haar ogen wel zie. Een vrouwelijke, wijze blik. Misschien een die te veel weet. Maar zelfs als mijn moeder haar in vertrouwen heeft genomen, weet ik dat ze het mij nooit zal zeggen. Vrouwenzaken, van het soort waar je met geen breekijzer tussenkomt.

De nacht nadat ik haar mijn studieplannen had ontvouwd, is ze gestorven, op diezelfde bank waar we hadden gezeten. Een bloedklonter die vast was komen te zitten in haar hoofd en haar hersens verstopte. Toen ik haar ’s ochtends vond, was het al uren te laat. Ik ben die dag zelf nog, na de hele toestand met de ambulance, het huis uit gegaan en ben nooit meer teruggekomen. Sylvia en Edwin hebben mijn spullen opgehaald, ik trok diezelfde avond nog bij hen in. Het eerste wat ik zag toen ik hun woonkamer binnenkwam, was een ingelijste foto van mijn moeder op het dressoir.

Ik denk nog vaak aan haar, vooral als ik op mijn piano aartsmoeilijke stukken opnieuw en opnieuw oefen. Of wanneer ik ga fitnessen. Bij elke willekeurige sporttas die ik zie. Of bij elke sigaret die ik opsteek. Ik adem haar.

Eindelijk begrijp ik wat ze zei over mijn vader. Dat het pijn doet, ja, maar vooral dat hij een schaduw is – niet de mijne, maar die van mijn moeder zelf. Tot drie jaar geleden had ik zelfs geen schaduw. Alleen maar een zon die ik niet zag omdat ik er recht in keek.

    • Yannick Dangre