Franse kerstinkoop tweedehands

Op speelgoedbeurzen proberen de nieuwe armen van Frankrijk cadeautjes te vinden voor hun kinderen. ‘Kerst hoeft zo niet duur te zijn.’

Met een opblaaskrokodil onder de arm verlaat Gaëlle Fabian de ‘Salle Chantaloup’, een grauwe sport- en evenementenhal in een industriegemeente ten noordoosten van Parijs. In haar rechterhand een boodschappentas met modelautootjes, games en plastic wapentuig. „17 euro en 50 cent, alles bij elkaar”, glimlacht de gedrongen alleenstaande moeder. Ze woont in een troosteloze flat in de buurt en heeft het niet breed. „Maar Kerst hoeft zo niet duur te zijn”, zegt ze.

Het is de derde keer in drie jaar dat het buurtcomité van Aulnay-sous-Bois voorafgaand aan de feestdagen een rommelmarkt voor tweedehands speelgoed organiseert. „Maar ik heb het hier nog nooit zo druk gezien”, zegt Abdel Mernissi, die een strijkplank op kinderformaat op de kop heeft getikt.

Precieze cijfers bestaan niet, maar volgens Franse media heeft de informele handel in tweedehands speelgoed de laatste paar jaar door de toenemende armoede een hoge vlucht genomen. „Niet iedereen heeft genoeg geld om bij speelgoedwinkels Kerstinkopen te doen”, zegt medeorganisator Charlotte Dupuis.

Op de speelgoedbeurzen, bourses aux jouets, is van alles te koop, en niets kost meer dan een paar euro. „Als ik de huur en het eten heb betaald is het geld normaal gesproken op”, zegt Fabian. Ze werkte in een restaurant, maar zit nu al vijf jaar thuis. „En kinderen willen toch cadeautjes met Kerst.”

8,6 miljoen van de 65 miljoen Fransen moeten volgens het statistische instituut Insee rondkomen van minder dan 964 euro per maand (de relatieve armoedegrens, op 60 procent van de gemiddelde inkomen). Ruim twee miljoen mensen hebben minder dan 600 euro per maand te besteden. En intussen loopt de Franse werkloosheid op, naar nu 9,9 procent, bleek afgelopen week.

De nieuwe armen wonen vooral rond de grote steden. Hier in Aulnay-sous-Bois, een kwartier per trein uit Parijs, heeft volgens hulporganisatie Secours Catholique een kwart van de bevolking te weinig om „fatsoenlijk” te kunnen leven. „En dan is de fabriek nog niet eens dicht”, zegt Mernissi. Hij doelt op de autofabriek van PSA Peugeot-Citroën, waarvan deze zomer bekend werd dat ze volgend jaar hier de deuren sluit. Zo’n drieduizen banen gaan daarbij verloren.

Wie in de auto-industrie werkt heeft nu een redelijk inkomen en een aardig pensioen. Veel van de nieuwe armen hebben wel een baan, maar verdienen te weinig om rond te komen. Ongeveer twee miljoen Fransen worden tot deze groep ‘werkende armen’ gerekend.

Op een speciale armoedeconferentie, een verkiezingsbelofte, zegde premier Jean-Marc Ayrault eerder deze maand toe uitkeringen voor mensen die ondanks herhaalde pogingen geen baan vinden, zoals mevrouw Fabian, in vijf jaar met tien procent te verhogen, tot de helft van het minimuminkomen.

Of het zal helpen is de vraag. Het ergste moet nog komen, schrijft econoom Laurent Davezies in het net verschenen boekje La Crise qui vient. Frankrijk staat volgens hem „aan de vooravond van een nieuwe klap, meedogenlozer dan de voorgaande”. Volgens nieuwe ramingen ligt de werkloosheid mid-2013 op 10,5 procent, bij een vanaf dit trimester krimpende economie.

De enige sector die geen hinder ondervindt, is die van de bourses aux jouets. „Over een crisis kun je natuurlijk niets positiefs zeggen”, zegt een oude vrouw in de sporthal van Aulnay-Sous-Bois. „Maar het brengt wel ouderwetse saamhorigheid.”

    • Peter Vermaas