Een gezin schaamt zich nergens meer voor

Een essay van P.F. Thomése over het publieke gezin

Illustratie Lobke van Aar

‘ A

lle gelukkige gezinnen lijken op elkaar’, schreef ooit eens een collega van me. En wie de lifestyle-bladen en de feelgood-bijlagen, de reclamefolders van Kruidvat doorbladert of de columns inkijkt van de ontelbare zelfschrijvende huisvrouwtjes, kan dit bevestigen: gezinsgeluk komt uit een potje en je kunt het overal opsmeren. Alleen niet op bepaalde plekken, daar kan het juist jeuk veroorzaken.

Over die jeuk gesproken: ook alle ongelukkige gezinnen lijken op elkaar. Als twee druppels uit hetzelfde potje.

Mijn collega beweert overigens het tegendeel. ‘Elk ongelukkig gezin is ongelukkig op zijn eigen wijze.’ Waarna hij er eens vijfhonderd bladzijden voor gaat zitten om dat unieke ongeluk eens haarfijn uit de doeken te doen. Maar hij schreef in een tijdperk waarin het geluk elke vrije zondag vooraan in de kerk zat te pronken en de bijkomende jeuk stiekem werd verdreven achter dikke, doorrookte gordijnen. In de beroemd geworden beginzin van Anna Karenina, want daar hebben we het over, werden die gordijnen opzij getrokken en werd er aan de goegemeente iets onzegbaars onthuld.

Tegenwoordig zijn we zo vertrouwd geraakt met andermans particuliere ellende dat het ons eerlijk gezegd evenzeer verveelt als andermans succes.

Je kunt geen krant of weekblad, geen Nederlandse roman of essaybundel meer opslaan, geen praatprogramma meer aanklikken, of het ongeluk lacht je tegemoet. Daar ga je, Tolstoi, Leo jongen, ouwe rakker, jij dacht iets bijzonders te vertellen, maar wat blijkt: elke boerenlul uit Tuitjenhorn heeft het bij wijze van spreken ook. Ongelukkig gezin? Vertel mij wat! God o god, wat kan het jeuken in de Kop van Noord-Holland. De cosmetica van het geluk er net even te dik opgesmeerd en nu lelijk op de blaren zitten, kijk maar, ik heb het hier en hier en ook nog hier. Ik zat er helemaal doorheen, echt waar. Ik had gewoon zin om m’n kop op de rails te leggen. Stoptreintje naar Schagen eroverheen, was ik van alles af, je kent dat wel.

Trouwens, het lijkt warempel net geluk, als je het zo ziet, dat ongeluk van tegenwoordig. De mensen lijken wel trots dat ze het massaal mogen laten zien. Kijk mij, met mijn kapotte huwelijk, mijn dode kind, mijn leugens, mijn hypocrisie, mijn oeverloze gelul. Kan mij het schelen. Ik ben het en omdat ik het ben, is het het waard om getoond te worden. Alles mag je van me weten, behalve mijn pincode, want ik moet er natuurlijk iets aan kunnen blijven verdienen. Deze jongen is wel depressief, maar hij is niet achterlijk.

En nergens nog van die dikke doorrookte gordijnen om dicht te trekken.

Het gezin is openbaar geworden, in voor- en tegenspoed, tot de dood ons scheidt, maar ook nog lang daarna.

Bij het eigen zelfgekozen levensverhaal dat iedereen zo authentiek mogelijk probeert na te doen, is publiek onontbeerlijk geworden. Of het publiek daar zin in heeft, maakt daarbij geen verschil. We zullen het weten, of we willen of niet. Het ongeluk heeft een podium gekregen, de gelukkigen onder de ongelukkige gezinnen mogen er plaatsnemen in de schijnwerpers om hun verlies in te ruilen voor applaus.

„En”, vraagt der host, „hoe gaat het nu?” (na de dood van je kind/je echtscheiding/je zelfmoordpoging).

„Nou, dat zal ik jou eens haarfijn uitleggen, Matthijs-Paul-Jeroen. Heb je even?”

Op een dag bleek ook ik het geluk van het ongelukkige gezin te mogen smaken. Meteen stroomden de aanbiedingen binnen. Zo werd ik door een krant gevraagd om een column over een gezin. „Een gezin?” „Nee, je eigen gezin.” Maar, dacht ik, mijn kind is dood. Toen merkte ik voor het eerst dat er iets raars aan de hand was. Men begreep niet dat ik het warme bad van de openbaarheid versmaadde.

„Jij hebt toch Schaduwkind geschreven? Dat gaat daar toch over?”

„Waarover?”

„Over jezelf en je verdriet.”

Nee, zeg ik dat gaat daar niet over. Het gaat over het raadsel van de afwezigheid, over taal als de archeologie van een verdwenen werkelijkheid. Het gaat over liefde die zich van aan- of afwezigheid niets aantrekt. Ik weet nog steeds niet hoe ik het geschreven heb, het kan best zijn dat ik het niet zelf was.

„Was het een engel die je hand geleidde?”

„Zo te horen bent u zo katholiek als de neten.” Maar het zou kunnen. In wonderen kan zo veel, daar doen we in de literatuur niet moeilijk over. Iedereen mag in Schaduwkind lezen wat hij wil. De belachelijkste kritiek was dat de lezer te weinig te weten kwam over de medische details. Dit stond in een bekende Britse quality paper waarvan de naam mij even ontschoten is. Deze zijtak van de lifestyle wordt human interest genoemd, al is het noch menselijk noch interesse.

Tegen al zulke mensen zou ik willen zeggen: als je het goed leest, leer je jezelf kennen. Niet mij. Maar als je per se mij wilt leren kennen, mag dat. Ik ben het alleen niet zelf.

En mag ik nu verdwijnen? Dan kan ik mijn werk weer doen. (Bovendien, als jullie het echt willen weten: mijn jongste zoon staat al sinds ‘…quality paper…’ op de deur te bonzen. „Jaha, papa is klaar, hij komt eraan.”)