Yés, Tonio! Toch nog!

Met vijf literaire prijzen was dit, op een bittere manier, het jaar van schrijver A.F.Th. van der Heijden. ‘De bruidssluier van herinneringen is een grauwsluier geworden.’

Gezien de aard van het boek Tonio aarzel ik, merk ik, om toe te geven dat ik ‘aangenaam verrast’ was door de nominatie voor de Librisprijs. Laat ik het zo zeggen: telkens wanneer er iets te doen is rondom Tonio, iets dat het boek terug in de aandacht brengt (al is het maar het verplichte lezen ervan, bij wijze van alternatieve taakstraf, door een Belgische wegpiraat), springt mijn hart op. Ik had me immers voorgenomen om mijn zoon via het boek een stem te geven over het graf heen om hem nog zo lang mogelijk, in overdrachtelijke zin, in leven te houden. Hoe langer het requiem in de belangstelling staat, des te meer lijk ik in mijn opzet geslaagd. Ik voeg er onmiddellijk aan toe dat dit alleen de overweging van een wanhopige kan zijn en dat is ook precies wat ik ben, een wanhopige. Desondanks blijft dat hart maar opspringen, als in een pavlovreactie.

Ik ben er nog niet uit of ik naar de uitreiking ga. Hoe Mirjam er tegenover staat, weegt voor mij minstens zo zwaar. Bijna twee jaar na Tonio’s dood is de stemming hier nog steeds labiel. We gaan periodiek door dalen van neerslachtigheid. Het enige opwekkende dat erover te melden valt, is dat Mirjam en ik elkaar daarin afwisselen, zodat we elkaar op de been kunnen houden.

Op de ochtend van Eerste Pinksterdag 2010 was er haast bij om in het politiebusje te geraken dat ons naar het AMC zou brengen. Recht uit bed schoot ik, zonder erbij na te denken, in een vale trainingsbroek en trok daar een soort houthakkershemd bij aan. Sinds die dag heb ik (behalve op Tonio’s begrafenis) niets anders meer gedragen. Toen de oorspronkelijke trainingsbroek was opgebruikt, heb ik Mirjam een hele serie nieuwe laten kopen. Hetzelfde geldt voor de shirts. Toen ik vorige zomer mijn zus moest gaan begraven en ik overwoog iets stemmigers aan te trekken, brak het zweet me uit. Ten slotte stond ik in een ‘nette’ zwarte trainingsbroek en een zwart shirt op het spreekgestoelte naast de kist. Zo was het goed.

Bij mooi weer laat ik me af en toe naar de geitenboerderij in het Amsterdamse Bos rijden door Mirjam. We kwamen daar nogal eens toen Tonio klein was. Alleen daar, op het terras tussen rondscharrelende kippen, in de weeë lucht van geitenkeutels, komen we tot rust. Mirjam heeft haar boodschappenronde en haar sportschool, en de bezoeken aan haar 99-jarige vader, maar ik kom verder nergens.

Mijn weken waren de voorbije drie decennia altijd al voor een groot deel met schrijven gevuld, maar niet zo dwangmatig als sinds ik aan Tonio begon. Ik begin doorgaans tussen tien uur en half elf ’s morgens te werken, en ga dan door tot rond half zes in de namiddag. Ik zorg dat ik goed ontbeten heb, zodat ik geen tijd voor de lunch hoef uit te trekken.

In Tonio staat beschreven hoe het werk aan mijn roman Kwaadschiks na Pinksteren 2010 stil kwam te liggen. Ik pakte het weer op na verschijning van het requiem en toen dienden zich ook al spoedig andere onderwerpen voor eventuele nieuwe delen van De tandeloze tijd aan, zoals een oorlogsgeschiedenis die zich voordeed in Geldrop, mijn geboorteplaats. Omdat ik het niet kan laten af en toe ook aan vervolgdelen van de cyclus te werken, verwacht ik niet dat Kwaadschiks nog in 2012 kan verschijnen. In 2013 zeker.

8 mei, de dag na de toekenning van de Librisprijs

Vannacht schrok ik wakker. Ik zat rechtop op de bank met een glas wodka naast me. Mijn eerste gedachte was niet aan de prijs, maar: wat doe ik op maandagavond met een glas wodka op de bank? Op maandag drink ik nooit. Pas daarna dacht ik weer aan de Librisprijs.

1 oktober

We begrepen uit een e-mail van een van Tonio’s vrienden dat hij voornemens was met een groepje ‘oudgedienden’ op 23 mei, Tonio’s tweede sterfdag, zijn graf te bezoeken. Omdat we vermoedden dat het op een geïmproviseerd happy hour uit zou draaien, waar we geen inbreuk op wilden maken, besloten we zelf een dag later naar begraafplaats Buitenveldert te gaan. We troffen een lege wodkafles op het graf aan, maar ook verse bloemen en een uit steen geslepen hart. Er lag ook, verzwaard door wat grind, een strook fotonegatieven; toen we die lieten ontwikkelen, bleek het om opnamen van spelende kinderen op een schoolplein te gaan, waar geen bekende gezichten in te ontdekken vielen. Met Tonio’s stijl van fotograferen hadden de kiekjes evenmin iets van doen.

De 23ste en 24ste mei 2012 waren net zulke schitterende vroegzomerse dagen als Eerste en Tweede Pinksterdag 2010. De avond van de 23ste brachten we in onze kleine tuin door, met vrienden die we sinds de begrafenis niet meer gezien hadden. Sinds een paar maanden na Tonio’s dood de dikke klimop naar beneden was gekomen, waardoor de wijd uitwaaierende goudenregen verbrijzeld was geraakt, voelde het tuintje, waar we ons laatste gesprek met Tonio hadden gevoerd, kaal en kil aan – wat weer gecompenseerd werd door de aloude pijnstiller on the rocks.

Ik prijs me gelukkig met de aangebroken herfst. „Dit is mijn tijd van het jaar”, riep mijn moeder altijd uit bij het eerste verkleurde boomblad. Misschien bewaarde ze goede herinneringen aan haar kraamtijd met mij: op mijn geboortedag, 15 oktober 1951, was het volgens haar zomers warm, net als de dagen erna. Misschien is het Amsterdamse Bos dit jaar ook zo’n Indian summer gegund. Inderdaad, als we naar buiten gaan, komen we nog steeds niet verder dan de geitenboerderij, al zijn er sinds de Librisprijs wel gaten gevallen in de anonimiteit die we daar aldoor genoten. Een mevrouw kwam ons op het terras melden dat ze ergens op een dorpsplein, „rondlopend tussen de fonteinen”, Tonio had gezien, als elfjarige „alsof hij zo uit het boek was gestapt”. Het gestaag doorwerken aan een nieuw boek is al vele maanden het enige dat echt lukt. Ik ben bezig met enkele vervolgdelen van De tandeloze tijd, respectievelijk de delen 5, 6 en 7 – de epiloog even buiten beschouwing gelaten. Door deze manier van werken, zwalkend van het ene manuscript naar het andere, vertraag ik natuurlijk zelf de verschijningsdatum van mijn eerstvolgende roman. Ik verwacht De tandeloze tijd 5: De IJzeren Man na de zomer van 2013 uit te kunnen brengen, in 2014 gevolgd door Kwaadschiks.

Ik kan niet voor de rest van mijn leven binnenshuis blijven schuilen. Ik hield er altijd van mensen om me heen te hebben, maar dat is het niet alleen. Zoals ik inkt en carbonlinten nodig heb om te kunnen schrijven, zo mogen ook de noodzakelijke zintuiglijke indrukken niet opdrogen. „Naar buiten, jongmensch!” riep Johnny van Doorn altijd.

Eerder kreeg ik de vraag hoe wij de tijd rond de Librisprijs ervaren hadden. Ik heb me daar toen een beetje met een jantje-van-leiden vanaf gemaakt, misschien omdat het me moeilijk viel erover uit te weiden. Ik zal alsnog de belangrijkste reden van onze afwezigheid in het Amstel hotel uit de doeken doen.

In zijn samenvatting van het juryrapport legde Robbert Dijkgraaf de nadruk op de ‘meerstemmigheid’ van mijn boek. Niemand, uitgezonderd Mirjam, wist wat dat woord op dat moment met mij deed. In mei 1997 woonden Mirjam en ik het Librisdiner bij. Ik was dat jaar met twee nominaties vertegenwoordigd: voor de beide boeken die samen De tandeloze tijd 3 vormden. Omdat Tonio had aangegeven de bekendmaking met alles eromheen eens van nabij te willen meemaken, hadden wij de organisatie gevraagd of hij ook mee aan mocht zitten. Nee, dat kon niet, maar vooruit, van het dessert af mocht hij aanschuiven, zodat hij het voorlezen van het juryrapport kon bijwonen. De maand erop zou hij negen worden. Hij zag er prachtig uit in zijn jongenssmoking, compleet met glittervest en vlinderdasje, het licht met gel ingevette haar in het midden gescheiden. Toen het juryrapport werd voorgelezen, luisterde hij in gespannen aandacht. Het woord ‘meerstemmigheid’ viel , zijn vinger priemde in mijn richting. „Dit gaat over jou, Adri”, zei hij met grote stelligheid. Toen ik De tandeloze tijd 3 tot een geheel aan het monteren was, stond Tonio vaak toe te kijken hoe ik het ’m flikte, dat hele fröbelachtige plak- en knipwerk. Hij vroeg wat die verschillende namen boven de opeenvolgende hoofdstukken deden. Ik legde hem uit dat het hier om een meerstemmige roman ging: dat er afwisselend meerdere personen aan het woord kwamen. Dat had hij goed in z’n oren geknoopt. De Librisprijs ging dat jaar naar Hugo Claus, die met De geruchten ook een meerstemmige roman had geschreven. Geen slechte keuze natuurlijk, maar Tonio was ontroostbaar.

We zagen de uitreiking dit jaar in onze huiskamer op televisie. Naar aanleiding van het boek dat Tonio’s naam draagt, neemt de juryvoorzitter (een andere dit keer) opnieuw het woord ‘meerstemmigheid’ in de mond. Ik kan je verzekeren dat zich op dat moment in mijn binnenste een kindervuistje balde en dat daar een kinderstemmetje uitriep: „Yés, Tonio! Toch nog!”

10 december, de dag voor de toekenning van de P.C. Hooftprijs

Voor mij begint de winter op 21 december, de bij benadering kortste dag van het jaar. Als ik zeg dat ik van de herfst houd, bedoel ik toch eerder de Indian summer en de grote verkleuring erna, niet de kale en donkere tijd van midden december. Voor mij geldt dat er op 21 december een grote lichtschakelaar omtuimelt, waarmee het ergste voorbij is.

Juist deze maand heb ik besloten om als eerste Kwaadschiks te voltooien. Het manuscript was ongeveer een halfjaar uit zicht – wel binnen handbereik maar dichtgeslagen. De inhoud van zo’n boek heeft dan de neiging te gaan krimpen, ongeveer zoals in het brein van de lezer een eenmaal gelezen roman zich samenbalt tot de essentie of tot een clustering van enkele essentiële beelden. Mij overkwam ongeveer het omgekeerde: ik wist dat ik de kern van Kwaadschiks te pakken had, omkleed met enkele belangrijke scènes, maar o, wat een werk moest er nog verzet worden. Het bleek vorige week gewoon een kwestie van openslaan van enkele ordners en stofmappen om te ontdekken dat van het verhaal al veel meer was uitgeschreven dan ik me wenste te herinneren. Ik ben nu bezig het losse materiaal aan een dwingende montage te onderwerpen.

Zelfs onder het voltooien van Tonio dacht ik nog dat het hierna gedaan zou zijn met de schrijverij, dat ik de zin er niet meer van in zou zien. Die ‘zín’ is wel ingrijpend veranderd, ja, maar die verandering heeft me blijkbaar niet tot werkeloosheid verdoemd. Dat is wat me nog het meest verbaast: dat zo’n gruwelijke, allesdoordringende gebeurtenis me niet van het schrijven heeft beroofd.

17 december

Vorige week, op de dag van de toekenning van de P.C. Hooftprijs, vroeg de verslaggever van Nieuwsuur hoe het met me ging. Daar kon ik op dat moment voor de camera geen goed antwoord op geven. Ik heb er het woord verschaming voor bedacht. Dat alles wat je hebt gedaan een andere klank krijgt: de vriendschappen die je hebt gehad, de dingen die je hebt gezegd, de cadeautjes die je hebt gegeven of gekregen. De bruidssluier van herinneringen is een grauwsluier geworden. Wat vanzelfsprekend was, verschaamt zich nu.

De uitreiking van de P.C. Hooftprijs zou op 23 mei zijn, Tonio’s sterfdag. Waarschijnlijk is het mogelijk om het een week later te doen. Ik heb vijf maanden om mij erop voor te bereiden. Ik moet toch ergens weer naar buiten treden.

Deze tekst is een selectie uit de schriftelijke antwoorden van A.F.Th. van der Heijden op drie vragenlijsten die hem werden voorgelegd door Arjen Fortuin. Daarnaast interviewde Fortuin hem tweemaal telefonisch.