Van Istendael verwart de lelijkheid van de EU met kwaadaardigheid

„Ik woon dicht bij het Schumanplein in Brussel. Het contrast met de Grote Markt doet pijn aan de ogen. Telkens als ik op de van goden en mensen verlaten vlakte van het Schumanplein sta, besef ik: dit Europa is een gevaar voor de Europese beschaving.” Dit zegt Geert van Istendael in zijn Huizingalezing over de Europese Unie (Opinie&Debat, 15 december).

Overheden en hun uitingsvormen zijn zelden esthetisch aantrekkelijk. Dat geldt zeker voor de Europese Unie. Zij blijft erin slagen om de goede smaak te tarten, met haar lelijke namen, haar lelijke gebouwen, haar lelijke pleinen, haar lelijke brochures en haar lelijke regels. Maar om lelijkheid voor kwaadaardigheid aan te zien, is een zonde tegen de menselijke intelligentie. Van Istendael ziet de lelijke Europese Unie als slaaf van de lelijke financiële markten. Dit is een esthetisch oordeel in een politieke aangelegenheid.

Het is waar dat de overheden de markten hebben laten lopen en het ontzag van die markten zijn kwijtgeraakt. De overheden vechten onder de vlag van de EU om dat gezag op de markten terug te winnen. Van Istendael ziet een complot tussen de markten en de overheden en zet de sluizen van zijn verontwaardiging open over alle lelijkheid die hij daar ziet. Hij is dus blind voor de goede zaak.

Europese werklozen hopen niet op Homerus en Beethoven. Zij hopen op de lelijke markt, om hen aan werk te helpen, en op de lelijke Europese overheden, waaronder de Unie, om die markten weer in toom te krijgen en werklozen van een waardig bestaan te verzekeren.

Wie een ambtenaar van de Europese Unie als ECB-voorzitter Draghi uitroept tot barbaar en tot vijand van de Europese beschaving, zoals Van Istendael doet, moest zich op dat moment achter de oren krabben over de bronnen van zijn ongenoegen en van zijn oordeel.

W.T. Eijsbouts

Amsterdam

De Onzichtbare Hand van Smith behelst iets anders

Deelnemers aan een vrije markt gedragen zich fatsoenlijk – niet noodzakelijk omdat zij het goede willen nastreven of het algemeen belang willen dienen, maar omdat ze hun medemensen moeten verleiden hun producten of diensten af te nemen. Ruilverhoudingen zijn gebaat bij diversiteit. De staat moet de neiging tot monopolisme reguleren. Monopolies staan vrij economisch verkeer in de weg en verstikken het fatsoen.

Dit is wat de moraalfilosoof Adam Smith – hij publiceerde niet alleen The Wealth of Nations, maar ook The Theory of Moral Sentiments – bedoelde met The Invisible Hand. Geert van Istendael heeft het over een obscuur bijgeloof uit de pruikentijd. Smiths kritiek op de monopolies van zijn tijd klinkt evenwel behoorlijk actueel. Het onfatsoen van sommige grote banken (too big to fail), corporaties en onderwijsinstellingen bewijst de deugdelijkheid van zijn redenering.

Marike Dijksterhuis

Rotterdam

EU is juist de oplossing

In zijn interessante betoog vergeet Van Istendael één, nogal wezenlijk, punt. De landen van de Europese Unie hebben er zelf een puinhoop van gemaakt en hebben decennialang boven hun stand geleefd door te veel te lenen. Jarenlang kon dit goed gaan, door devaluaties van de eigen, nationale munt. Dit zwaktebod liet ongezonde economieën voortbestaan. De euro moet ertoe leiden dat de EU-landen orde op zaken stellen. Dit is pijnlijk. Toch is de EU niet het probleem, maar juist de oplossing ervan.

Hans van Meerten

Den Haag