Straf de pester, geen protocol

Pestprotocollen? Nee, liever niet. Pak de pesters met straffen aan, vindt Astrid Boon.

Elk jaar weer zijn er klassen die worden gedomineerd door een aantal pestkoppen. Klasgenoten, maar ook leraren hebben last van hun nare grappen. Niettemin kunnen pesters hun gedrag jarenlang volhouden.

Hoe kan dit? Er is toch zoiets als een verplicht pestprotocol?

De eerste maanden van een schooljaar zoeken leerlingen hun plekje, om zich de rest van het jaar prettig en veilig te voelen in de klas en de eigen subgroep. Er worden gezamenlijk gedragsregels geformuleerd. Leerlingen zijn het erover eens dat je respectvol met elkaar en elkaars grenzen moet omgaan.

Sommige kinderen hebben meer behoefte aan macht en aanzien in een klas dan andere. Pesters vinden het belangrijk om gehoord en gezien te worden. De lolbroeken onder hen maken flauwe grappen ten koste van anderen. Klasgenoten krijgen bijnamen. IJverige leerlingen worden uitgemaakt voor ‘nerds’. Ze dagen een ander uit om zijn eigen grens te benoemen.

Slachtoffers reageren vaak inadequaat. Pesters hebben een dikke huid.

Menig slachtoffer kiest voor een strategie van negeren, in de hoop dat de pester vanzelf ophoudt. Pesters zijn evenwel niet uit op reacties van hun doelwit, maar op die van hun eigen kornuiten. Als je makkers om je lachen, dan voel je je gewaardeerd. Hierdoor merkt een pester niet op dat er een grens wordt bereikt – zeker niet als een slachtoffer lachend „hou op” zegt of onmachtig terugscheldt.

Veel slachtoffers durven de pesterijen niet te melden bij hun mentor, uit angst voor diens optreden. Zal hij erover praten met de klas, of gaat er een brief naar de ouders van de pester? Verergert dit het pesten dan niet? Ook aarzelen ze pesterijen te melden omdat op veel scholen de code van de straatcultuur van een dominante minderheid heerst. Als dat de enige bekende code op een school is, hebben pesters vrij spel zonder dat scholen iets merken.

Waarom lukt het leraren niet het pesten te stoppen? Leerlingen merken geregeld op dat niet de leraar, maar de lolbroek in de les de dienst uitmaakt. Leraren zijn soms allang blij dat die nare opmerkingen niet tegen hen gericht zijn. Een hinderpaal vormt ook het feit dat veel leraren dominant gedrag negeren en als strategie ‘minimaal interveniëren’ kiezen. Ten slotte ervaart menige leraar het geven van straf als pedagogische nederlaag.

Dus wat nu?

We moeten de pestkop én het slachtoffer altijd vertellen dat er streng zal worden opgetreden tegen pesten. Ze ervaren dat het pesten aanzienlijk minder is bij leraren die gedragsregels streng handhaven en strafwerk uitdelen bij vervelende opmerkingen. Uit onderzoek van het opvoedmagazine J/M (2009) blijkt dat acht op de tien ouders vindt dat leraren en scholen strenger moeten optreden tegen pesten.

De praktijk leert dat pesten niet voorkomen kan worden door algemene pestprotocollen, themalessen over pesten of gezamenlijk opgestelde gedragsregels. Dit kan alleen als bij elke pesterij concrete stappen worden ondernomen. Een al in de praktijk gebrachte methode bestaat uit een procedure in zes stappen. De kern hiervan is dat slachtoffers, medeleerlingen en leraren een meldingsplicht hebben.

De rol van het slachtoffer is cruciaal. Zijn eerste stap is om twee keer een stopsignaal aan de pester te geven, bijvoorbeeld: ‘Hou op, ik vind het echt vervelend.’ En daarna: ‘Je doet het nu weer. Als je niet ophoudt omdat ík het vraag, vraag ik de mentor je gedrag te stoppen.’ De meeste pesters voelen er niets voor dat er een volwassene bij wordt betrokken en stoppen. Het slachtoffer ervaart het als een triomf als hij helemaal zelf het pesten heeft gestopt.

Bij stap twee komt de mentor in actie. Die roept pester en slachtoffer bij zich, checkt of het slachtoffer op de juiste wijze twee stopsignalen heeft gegeven. Dan wordt strafwerk opgelegd aan de pester, die na schooltijd flink moet schrijven over het negeren van twee stoptekens. Dit schrijfstrafwerk wordt bij recidive herhaald en verzwaard. Hulp op school wordt ingeschakeld.

Stap drie: de afdelingsleider betrekt de ouders van de pester erbij. Er wordt drie weken gewerkt met een logboek. Op basis hiervan wordt gewenst gedrag thuis beloond en pestgedrag op school bestraft met tijdrovende schrijfstraffen.

Stap vier: als het pesten doorgaat, hoort de pester dat hij een overplaatsing naar een andere klas riskeert. Ook wordt buiten school naar hulpverlening gezocht.

Stap vijf: de afdelingsleider vertelt de pester dat schorsing dreigt en dat er moet worden uitgekeken naar een andere school.

Stap zes bestaat uit het overwegen van aangifte.

De procedure voorziet dus in versterking van de rol van het slachtoffer. Alle leerlingen kennen precies de stappen. De procedure zou deel kunnen uitmaken van een document Zo zijn onze manieren, dat wordt ondertekend door de ouders en het kind.

Astrid Boon is orthopedagoog en auteur van het boek Straf/Regels.