Promoveren is niet meer wat het is geweest

Proefschriften

In 1984 begon Paul Schnabel proef- schriften te bespreken voor deze krant. Daar stopt hij nu mee. Er komen inmiddels jaarlijks viermaal zoveel jonge doctoren bij als toen. Dissertaties zijn normal science geworden.

Ik heb het nog even nagekeken. Het was in 1961 en onze leraar Latijn promoveerde op een proefschrift over de Romeinse veldheer Germanicus. Ik was erbij, dertien jaar, net benoemd tot klasseoudste van 2A. Namens de klas mocht ik mee naar Utrecht in een bus vol leraren en bovenbouwers. In de indrukwekkende senaatszaal van het Academiegebouw zat ik ergens achterin, met grote ogen kijkend naar de hoogleraren in hun zwarte toga’s en de promovendus met zijn paranimfen, keurig in rok. Zoiets had ik nog nooit gezien en ik begreep maar net waar het om ging, maar ik wist wel: dit wil ik ook.

Ruim twintig jaar later was het zo ver. Niet in Utrecht, maar in Rotterdam. Niet in rok, maar in een keurig donkerblauw Van Gils-pak. Niet in een deftige zaal vol portretten van lang geleden gestorven hoogleraren, maar in een kale collegezaal met wat palmen voor het bord. In Utrecht werd ik dan weer wel hoogleraar en heb ik inmiddels zelf meer dan veertig promovendi de bul ‘met alle daaraan door wet en gewoonte verbonden rechten en plichten’ (geen idee wat die zouden kunnen zijn) kunnen overhandigen. Ik weet dus nu ook wat er besproken wordt als de commissie ‘zich terugtrekt voor beraadslaging’. Wat vonden we van de verdediging en heel soms ‘wordt het een cum laude?’ Dat is het enige wat echt nog besloten kan worden en dan speelt de kwaliteit van de verdediging wel een rol. Tevoren is er dan al een tweede commissie geweest die beoordeeld heeft of het proefschrift inderdaad een cum laude verdient. Dat gebeurt natuurlijk alleen als de eerste commissie al heel lovend is geweest en meestal neemt de promotor dan het initiatief voor een cum laude. Bij mij hebben drie promovendi hun bul met lof gekregen.

Senaatszaal

In 1961 werd er nog niet veel gepromoveerd. In 1982, toen ik zelf promoveerde, kwam het al vaker voor, maar in heel Nederland toch niet meer dan 800 of 900 keer per jaar. Nu zitten we op zo’n 3.500 promoties per jaar en alleen al in Utrecht vult de senaatszaal zich vaak wel vijf keer per dag met nieuwsgierige en soms ook wat gespannen familieleden, vrienden en collega’s. Het is niet zeldzaam meer, maar het blijft toch iets bijzonders. Met 33 jaar was ik in 1982 nog een relatief jonge promovendus, maar tegenwoordig begint het promotietraject meteen na het doctoraalexamen (het ‘master’diploma) en mag het eigenlijk niet langer dan vier jaar duren. De ‘jonge doctor’ is dan echt nog jong, al zal een promotie onder de twintig jaar – zoals pas gebeurde – de grote uitzondering blijven.

Vroeger was een promotie een levenswerk of een sollicitatie naar een hoogleraarschap. De promotie had in Nederland toen bijna de status die de Habilitation in Duitsland nog altijd heeft. Daar is het tweede proefschrift meestal de voorwaarde voor een hoogleraarschap. In Nederland is, ook weer anders dan vroeger, de promotie nu bijna een absolute voorwaarde geworden om zelfs maar universitair docent te kunnen worden. Er wordt vaak gedaan of de universiteit in eerste instantie een instelling voor wetenschappelijk onderzoek is waar een beetje toevallig ook nog onderwijs wordt gegeven, maar dat is geschiedvervalsing. Tot begin jaren tachtig was zeker in de alfa- en gammafaculteiten onderzoek doen een vrij particuliere hobby, waar soms ook wel wat smalend over gedaan werd. Dat is helemaal veranderd, al blijft juist in de geestes-, gedrags- en sociale wetenschappen het onderwijs in de praktijk het overgrote deel van de tijd van de staf opslorpen. De beoordeling van de staf, de departementen en de leerstoelen vindt echter hoofdzakelijk plaats op grond van de kwantiteit en de kwaliteit van het gepubliceerde onderzoek. Het is inderdaad publish or perish geworden, zoals in de discussies over de affaire-Stapel al regelmatig is gezegd.

In de jaren tachtig werd het AIO-systeem aan de Nederlandse universiteiten geïntroduceerd. Dat maakte het werken aan een proefschrift tot een baan voor vier jaar. De oprichting van onderzoeksscholen, ook in samenwerking tussen universiteiten, hielp de nu letterlijk ‘doctorandi’ ook theoretisch en methodologisch beter grip te krijgen op hun onderwerp. De begeleiding van een proefschrift werd geprofessionaliseerd en het hebben van promovendi was voor een hoogleraar misschien wel een last, maar het werd ook een must. Het eigen functioneren en het succes van de leerstoel of de afdeling werd in internationale audits mede afgemeten aan het aantal promoties.

Het wordt regelmatig ontkend, maar het zijn vooral de regels in en de gewoonten van het natuurwetenschappelijk onderzoek geweest die bepalend zijn geworden voor het onderzoek in andere wetenschapsgebieden. Er wordt gewerkt in teams en in sterk gestructureerde meerjarenprogramma’s. Voor onderzoek op het gebied van recht, filosofie, literatuur en geschiedenis ligt dat niet altijd voor de hand. Monografieën (boeken dus) staan minder hoog in aanzien dan artikelen en ook dat is typisch voor de bètavakken. De hoogste waardering krijgen onderzoekers voor artikelen die gepubliceerd worden in de meest vooraanstaande internationale (nooit ‘Amerikaanse’ zeggen, al zijn ze dat meestal wel) tijdschriften met een ‘peer review’-procedure. Collega’s met een hoge standing op hun onderzoeksgebied beoordelen dan anoniem de ook aan hen anoniem voorgelegde manuscripten.

Zestien auteurs

Meestal komt het overigens niet eens zo ver. De beste tijdschriften wijzen bij voorbaat al 80 tot 90 procent van de ingediende stukken af. Ik heb het met een groepje medeonderzoekers (dit soort artikelen staat eigenlijk nooit op naam van één auteur, zes tot zestien auteurs is heel gewoon) al drie keer achter elkaar meegemaakt. Heel frustrerend en je loopt ook nog het risico dat met het verstrijken van de tijd het artikel ook aan waarde verliest of ingehaald wordt door een vergelijkbaar artikel dat wel al gepubliceerd is.

Het merendeel van de proefschriften, ook in de gedragswetenschappen, bestaat inmiddels uit drie tot vijf gepubliceerde, aanvaarde of ingediende artikelen in hoog gewaardeerde tijdschriften, voorafgegaan door een inleiding en een literatuuronderzoek en afgesloten met een discussion, waarin de onderzoeker ook zelf de zwakheden en onvolkomenheden in zijn onderzoek moet aangeven.

Het proefschrift staat op naam van de promovendus, de artikelen op naam van zo ongeveer de hele afdeling waar de promovendus werkzaam is, de promotor incluis. Het meest persoonlijke van het proefschrift is niet zelden het dankwoord, dat bladzijden lang ontboezemingen kan bevatten over steun, vriendschap, heerlijk eten, gezellige borrels en de o zo noodzakelijke huisjes buiten om ‘eindelijk’ te kunnen werken. De redactionele voorschriften van de internationale tijdschriften zijn verder een dwingend keurslijf geworden, die het schrijven wel vergemakkelijken, maar het lezen bepaald niet.

De belangrijke tijdschriften zijn verzamelingen van onderzoeksverslagen geworden. Dat is ook merkbaar in de proefschriften. Theoretische, beschouwende, inventariserende, beschrijvende of verhalende proefschriften zijn zeldzaam geworden en hebben het steeds moeilijker door de beoordelingscommissies geaccepteerd te worden. De proefschriften gaan daardoor ook steeds meer op elkaar lijken. Dat betekent zeker niet dat ze slechter zijn dan vroeger, zoals ik vaak in de vorm van een retorische vraag te horen krijg. Integendeel, de eisen worden juist steeds hoger en steeds meer bepaald door de stand van de internationale wetenschap. Het succes van iemand als Diederik Stapel berustte voor een belangrijk deel op zijn inside knowledge van de eisen waar een wetenschappelijk artikel in de sociale psychologie aan moet voldoen. De beste vervalser weet altijd precies wat de klant het liefste ziet.

Vaktaal

Uiteraard is het Engels de lingua franca van vrijwel alle wetenschappen geworden. Jonge Nederlandse onderzoekers hebben nauwelijks problemen met het schrijven in de bijzondere vorm van Engels, die de taal van hun vakgebied is. Ze zullen zelden meer afgewezen worden , omdat ze zich bedienen van een awkward English, zoals ik tot mijn schande nog wel eens heb moeten lezen in het commentaar van een reviewer.

Het zal wel niet helemaal toevallig zijn dat de opkomst van de wetenschapsbijlagen van de kranten in de tijd bijna samenviel met de verwetenschappelijking van het universitaire bedrijf.

In 1984 – het NRC-bijvoegsel dat toen nog Wetenschap & Onderwijs heette was nog nieuw – stelde ik redacteur Martijn de Rijk voor elke week een proefschrift te laten bespreken. Niet de paar proefschriften die ieder jaar het nieuws wel wisten te halen en ook niet de notoir slechte of malle proefschriften die toen bij gebrek aan collegiale controle nog wel eens over de eindstreep kwamen, maar de gewoon goede en interessante studies die er toen al elk jaar meer kwamen. Oké, zei Martijn, ga je gang. Het was niet mijn bedoeling om het allemaal zelf te doen, maar het werd toen toch eens per maand een column, bijna dertig jaar lang.

Ik stop er nu mee, omdat het lang genoeg is geweest, maar ook omdat de proefschriften steeds meer normal science zijn geworden. De onderwerpen worden steeds specialistischer en de teksten steeds methodologischer. Dat is niet erg, maar steeds minder geldt wat een vriendin ooit tegen mij zei: “Wat fijn dat jij die boeken voor ons leest.”