Priester met vreugde, bisschop met vrees

Wim Demarteau (1917-2012), bisschop op Borneo, twijfelde nooit over zijn missie.

Op zijn 37ste werd Wim Demarteau bisschop. Het was 1954. Zo jong waren er maar weinig in de wereld. Het kwam op zijn weg. Anderen bevolen hem aan. Wie was hij om te weigeren? „Het priesterschap aanvaardde ik met vreugde maar het bisschopsambt met vrees”, zou hij later zeggen. „De staf voelt zwaar aan en de mijter drukt zwaar op mijn hoofd.” Liever was Demarteau priester gebleven.

Zijn bisdom op Borneo was dertien keer zo groot als Nederland. Zijn eerste rondreis duurde een half jaar. De meeste kilometers werden afgelegd in een door roeiers voortgestuwde prauw.

Als kind wist Demarteau al dat hij daar en niet in zijn geboorteplaats Horn (bij Roermond) thuishoorde. Gebiologeerd verslond hij in missiebladen alles over de Dajaks, de inheemse bevolking op Borneo. „Toen hij mijn moeder vroeg of hij naar het klooster mocht, zei die: ‘Dat moet je maar aan je vader vragen’,” vertelt Demarteaus zus Anny (88). „Vader probeerde mijn broer af te remmen. Zou je niet nog een jaartje bij ons blijven?” Maar Wim Demarteau wachtte niet en vertrok als twaalfjarige naar het kleinseminarie in Kaatsheuvel.

Twijfel over de gekozen weg had de puberjongen nooit. Heimwee wel. Later trad de Midden-Limburger in bij de Paters van de Heilige Familie. Na zijn priesterwijding was hij normaal gesproken naar Indië gegaan, maar de oorlog maakte dat onmogelijk. Wachtend op betere tijden werkte hij in parochies in Haarlem en Amsterdam. Hij beleefde er bange uren. De Hongerwinter bezorgde hem maagproblemen die nooit meer helemaal overgingen.

In 1947 vertrok hij alsnog naar Borneo. De onafhankelijkheidsstrijd was in volle gang. Maar ook in het nieuwe zelfstandige Indonesië kon hij later zijn werk blijven doen.

Al in 1954 werd Demarteau bisschop. Onder zijn bewind kwam het tot een opdeling van het bisdom. Zijn belangrijkste werk buiten de kerk was het opzetten van een ziekenhuis. Met een kapel én een moskee voor moslims. Kruizen aan de muur liet hij verwijderen. „De verpleegsters zijn de kruisjes”, vond hij.

In 1983 ging Demarteau met emeritaat. Een Indonesische opvolger stond klaar. Hij bleef actief als priester. Hij bouwde nog een kerk en schreef over de geschiedenis van het katholicisme in Indonesië . Op een typemachine. Dat hij zich de computer niet meer eigen maakte, speet hem achteraf. „Als ik geweten had dat ik zo oud zou worden, had ik het nog geleerd.”

Zijn hoofd bleef tot het laatst helder. Zijn lichaam begon wel te haperen. Bovendien werd Demarteau doof. Op 5 december sloot de oud-bisschop in het ooit door hem gebouwde ziekenhuis voorgoed de ogen. Hij had er 95 jaar op zitten, waarvan 65 tropenjaren.

Paul van der Steen

    • Paul van der Steen