Overweldigend Amerika

‘Je kunt daar niet een beetje bevoorrecht in een mooi huis gaan zitten’, zegt Pia de Jong over haar rol als ‘vrouw van’ Robbert Dijkgraaf. Maar als álles kan, wat kies je dan?

2008-09-25 Amsterdam portret van Pia de Jong ©Klaas Koppe

Schrijfster Pia de Jong (51) is heel benieuwd wat het met je doet als je je hele leven oppakt en ergens anders plant. In haar geval: als je dat nóg een keer doet. „Twintig jaar geleden ben ik ook al met Robbert meegegaan naar Amerika”, vertelt ze. „Ik kon toen alleen een toeristenvisum krijgen, dus toen zijn we vlak voor vertrek getrouwd. Maar we waren al lang samen hoor.” Destijds werd Dijkgraaf op het Institute for Advanced Study (IAS) uitgenodigd om er onderzoek te doen; nu is hij er directeur geworden.

Het is maart. We zitten in haar werkkamer in het huis aan een Amsterdamse gracht waar ze dan nog woont, met haar man Robbert Dijkgraaf en hun kinderen Jurriaan, Matthijs en Charlotte (inmiddels 16, 14 en 12). Tijdens het gesprek komen ze om beurten binnen om iets te vragen – waar is het pianoboek, mag ik geld voor de film. De Jong geeft antwoord en aandacht en vertelt verder.

De Jong, opgeleid als klinisch psycholoog en arbeidspsycholoog, werkte indertijd als interim-manager in de farmaceutische industrie. „Ik kreeg die baan omdat ik Duits en Engels spreek, het pakte heel goed uit, dat bedrijf heeft zelfs een visum voor me aangevraagd.” En toen kreeg Dijkgraaf weer werk in Nederland, als jonge hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam, en ging De Jong weer mee terug. „Ik had ook wel weer zin in Nederland.” Ze begon een therapiepraktijk aan huis, voor mensen met burn-out – „jij zit nu precies op de patiëntenplek” – en stopte daar weer mee om fictie te schrijven. Ze publiceerde twee goed ontvangen romans. „En nu staat alles dus heel erg lekker op de rails, de kinderen zitten op geweldige scholen, mijn uitgever zit verderop op de gracht, kan het nog beter? En nu gebeurt het opnieuw.” Nu gaan ze weer naar de VS.

Princeton

De Jong constateert het verwonderd, zoals ze voortdurend haar leven met een bijna kinderlijke verwondering lijkt te bekijken. Ja, natuurlijk hebben ze ervoor gekozen. Ze hebben het aan de kinderen voorgelegd en als die niet wilden, zou het niet doorgaan. Maar toch. „Als ik niet met Robbert was, zou ik dit niet meemaken”, zegt ze later, in haar nieuwe, prachtige huis in Princeton, waar in de woonkamer een piano staat die van Einstein is geweest. „Ik val wel met mijn neus in de boter.”

Maar dat is later. Nu is het nog maart, ze kan zich nauwelijks voorstellen hoe het zal zijn. Zo veel nieuwe dingen, en als schrijver heeft ze het ook nodig om zich af te sluiten. „Het is een continue strijd: hoe outgoing kan ik zijn? Wat kan ik doen, wat gaat van mijn werktijd af en wat inspireert? Dat vind ik een enorm dilemma. Als ik aan Amerika denk, zie ik mezelf aan de ene kant in een cocon zitten...” Die cocon is iets van vroeger, van toen haar dochter Charlotte als baby ernstig ziek was, bijna overleed. De Jong sloot zich op met haar gezin, haar huis werd een burcht. „Bepaalde mensen wilde ik niet in huis hebben. Die kwamen er ook echt niet in.”

Intussen proberen ze op het Institute nu al het haar naar de zin te maken. Wil ze straks niet lesgeven op Columbia University in New York, over Nederlandse literatuur? Iets creatiefs opzetten op het Institute zelf? Zorgen dat er een writer-in-residence komt? Het is allemaal interessant, kost allemaal tijd. En ze wil zich ook inzetten voor goede doelen. „Je kunt daar niet een beetje bevoorrecht in een mooi huis gaan zitten en doen of de rest van de wereld niet bestaat.”

Ze heeft een bijzondere band met de president van de filantropische Carnegie Corporation, Vartan Gregorian. Een oudere man, in de zeventig – en haar vader is pas overleden, ja, ze ziet het verband wel. Gregorian stuurt haar knipsels en boeken die interessant voor haar zijn, flessenpost noemt ze het, en zo heet nu ook de column die ze sinds september in deze krant schrijft. „Tell me your dreams”, had hij haar gezegd. „Zó ontroerend! Wie stelt je nou ooit zo’n vraag? En ik had geen antwoord. Dat was enorm confronterend. Zó veel mogelijkheden, wat ga ik in godsnaam doen?” Maar ze geniet er ook van, lijkt het, dat ze alles open kan houden. Alsof ze al weet hoe snel haar agenda in Princeton zal vollopen.

Moleskine

Nu woont ze er. Schrijft columns over wat ze meemaakt. Ze heeft een bundel erotische verhalen af, maar die wil ze nog niet uitgeven – haar uitgever wel, maar zij vindt ze nog niet goed genoeg. Ze probeert ook in het Engels te schrijven, is bezig met korte verhalen en journalistiek. The Huffington Post wil stukjes van haar. Ze onderzoekt de geschiedenis van die piano van Einstein, die in 1930 uit Berlijn naar de VS is verscheept. Geeft etentjes, laatst een fundraiser voor slachtoffers van de orkaan Sandy. Ze ontmoet Nobelprijswinnaars, museumdirecteuren en schrijvers: Joyce Carol Oates, Jeffrey Eugenides. En ze houdt heel veel af. „Het is allemaal nogal overweldigend.”

Er zijn zoveel verhalen, alleen al in haar eigen huis. „Die piano, dat loopt al bijna uit de hand, ik mail nu zelfs met de Hebrew University, terwijl ik er alleen maar een artikel over wilde schrijven.”

De toiletpot van Einstein was er ook nog; die hebben ze gecertificeerd laten vernietigen, omdat je hem anders vast terugvindt op eBay. Zo liggen op het hele instituut de verhalen voor het oprapen. De beroemde wiskundige Gödel was paranoïde, bang dat mensen hem wilden vergiftigen. En, o ironie: „Toen heeft hij zichzelf dood gehongerd.” De Jong heeft altijd een knalrood Moleskine opschrijfboekje bij zich, ook bij officiële gelegenheden. „Mensen zijn dat al van me gewend.”

Laatst hadden Robbert en zij een etentje bij mensen die het Institute 20 miljoen dollar hebben geschonken toen ze hoorden dat Dijkgraaf directeur werd – daarmee is de directeurspost voor altijd betaald. „Die vrouw, een weduwe op leeftijd, was helemaal smitten met Robbert. Ze wilde de naam van haar overleden man aan hem verbinden. Zit je daar te eten, staan er Etruskische beelden op tafel en er hangen enorme oude Romeinse mozaïeken aan de muur. Verstevigde muren, natuurlijk.” Dat is ook een heel nieuwe wereld, zegt ze: „Die extreem rijke mensen. Heel dat fundraisen.”

Nu moet ze de tijd nog vinden om te schrijven. Columns, fictie. Waar haar focus ligt? „Ik geniet van het schrijven van korte verhalen. In het Engels of het Nederlands. En die columns zijn erg leuk, dat journalistieke. Maar mijn hart ligt bij de roman. Misschien dan toch eindelijk dat verhaal over Charlotte. Denk ik.”

    • Ellen de Bruin