Ik heb hier nog een klus te klaren

In de rubriek ‘Het laatste woord’ praten mensen over hun laatste levensfase.Daaronder staat wekelijks een necrologie van een niet per se bekende persoon.

„Al deze boeken heb ik vertaald. En dit is nog niet eens alles. Een recensie begon een keer met een compliment voor de kwaliteit van de vertaling. Daar was ik behoorlijk trots op.”

„Iedereen dacht in 2008 dat ik doodging. Ik niet. Nee, geen moment heb ik gedacht dat m’n dagen geteld waren. Ik geloof sterk in het leven, het is nog niet klaar met mij, mijn tijd is nog niet gekomen.

„Dat iemand levend een hospice verlaat, komt niet vaak voor. Wie het wel overkomt, gaat meestal naar een verpleeghuis, of naar huis met een hoop thuiszorg om zich heen. Mij is het gelukt weer zelfstandig door te gaan, auto te rijden, helemaal voor mezelf te zorgen. Goed, ik heb wel last van vermoeidheid. Ik kan me vaak slecht concentreren: een boek lezen lukt me niet meer zo goed. Maar ik bén er nog.

„Nee, bijzonder vind ik dat niet. Dat zei ik toch al? Ik ben nog niet klaar met m’n leven.

„Mijn man overleed op z’n 37ste, ik was toen 38 jaar. Later heb ik 27 jaar een vriend gehad. We hebben niet samengewoond. Gelukkig niet; anders had ik nu op straat gestaan. Hij kon steeds slechter zien. Uiteindelijk was hij volledig blind. Afgelopen augustus is hij overleden, ook in het hospice waarin ik in 2008 lag.

„Acht jaar ben ik zijn mantelzorger geweest. Eten klaarmaken, voorlezen – van alles heb ik met en voor hem gedaan. Misschien heb ik mijn ziekte wel overleefd, omdat ik hem eerst tot z’n dood moest begeleiden – die gedachte heb ik wel gehad, ja. Aan de andere kant: waarom moest ik dan die longkanker krijgen. Dat is toch niet logisch?

„Ik geloof niet dat toeval bestaat. Nee, dat zeg ik niet goed: eigenlijk geloof ik helemaal niet zo veel. En toch: ik heb een nogal raar leven achter de rug, waarin merkwaardige dingen zijn gebeurd, die later op hun plek vielen en een bijzondere betekenis kregen.

„Mijn oma van vaders zijde, die in Sobibor is vermoord, heeft me als kind een klein boekje gegeven: het Nieuwe Testament. Dat heb ik herhaaldelijk gelezen. En ik dacht: er klopt van alles niet in dat verhaal, in werkelijkheid is het anders gegaan. Na de oorlog had ik een katholiek vriendinnetje. Ik was een keer bij haar in de kerk, waar ze me verhalen vertelde bij schilderingen over de kruiswegstatie. Ook toen dacht ik: dat verhaal rammelt.

(stilte) „Tja, hoe vertel ik dit zonder zweverig over te komen? Ik bén helemaal niet zweverig. Het is me allemaal overkomen, ik heb er niet om gevraagd.

„Halverwege de jaren ’80 – ik woonde toen in Amsterdam – ben ik op een dag gedachteloos in m’n auto gestapt, ik heb ’m geparkeerd in de buurt van de Leidsestraat en in een waas heb ik er in een Brunawinkel een boek gekocht: Holy blood, holy grail van Michael Baigent. Waarom dat boek? Geen idee.

„Ik heb het boek verslonden. Kijk, hier is ’t, het valt bijna uit elkaar. Toen dacht ik: ja, zo is het gegaan, Jezus was getrouwd, had kinderen, zijn nageslacht leefde in Zuid-Frankrijk. Inderdaad, die verhaallijn heeft Dan Brown jaren later ook in de Da Vinci Code verwerkt – spannend boek, heb ik nog aan mijn vriend voorgelezen.

„Een paar jaar nadat ik het Holy grail-boek had gelezen, ben ik met m’n auto over de kop geslagen. Een zware hersenschudding heb ik opgelopen. Wekenlang heb ik op bed gelegen. Toen ik weer opknapte, had ik alle tijd van de wereld om de krant helemaal te lezen. Ik las zelfs de kleine advertenties. Mijn oog viel op een advertentie van iemand die zocht naar paranormaal begaafde personen. De volgende dag heb ik ’m een briefje geschreven: ‘Ik geloof niet dat ik paranormaal begaafd ben, maar kom eens bij me langs als je zin hebt.’

„Zo kwam ik in contact met Peter van Mare. In twaalf hypnosesessies heb ik hem verteld wat ik van het leven Jezus heb meegekregen. Van de transcriptie van mijn verhaal hebben we een boek gemaakt, Ooggetuigeverslag van het leven van Jezus.

„Maar denk vooral niet dat ik helemaal in de ban ben van de Jezus-figuur. M’n hele leven heb ik voortdurend allerlei taferelen gezien zonder dat ik erom vroeg. Loop ik in een steeg bij de Brink in Deventer, dan zie ik opeens hoe het daar in de middeleeuwen was: met varkens die in de modder wroeten en een handkar met een houten wiel dat in tweeën is gebroken.

„Vaak weet ik niet waarom ik die beelden zie. Soms is het wel duidelijk. In de nacht nadat mijn vader was overleden, zag ik hem terwijl hij werd opgewacht door zijn vader, die hij nooit heeft gekend, en z’n moeder en een al lang geleden overleden zuster. Of er leven na de dood is? Geen idee, daar denk ik nooit over na. Ik heb genoeg aan het leven, ik kan de dood er niet bij hebben.

„Wel ben ik ervan overtuigd dat alles wat je meemaakt in je leven een bijzondere betekenis heeft. Zo ga ik ervan uit dat mij nog iets te doen staat: een taak die ik nog te volbrengen heb. Dat zie ik als de reden waarom ik vierenhalf jaar geleden niet dood ben gegaan. Ik heb hier nog een klus te klaren. Als dat niet zo blijkt te zijn, zal ik me lelijk genomen voelen.”

Tekst & foto’s

Reacties: laatstewoord@nrc.nlTwitter: #hetlaatstewoord

    • Gijsbert van Es