Ik ben heel erg voor eerlijkheid

‘Kijk, ik ben een boef en dan krijg je straf.’ Nico Vijsma, spil in de vastgoedfraude, is in balans. Zegt hij.

Nederland, November 2012 Nico Vijsma Foto: Merlijn Doomernik

Wat Nico Vijsma het allerergste vindt? Oud worden. Man, dat is een lijdensweg. Hij heeft een geest van 35, nou vooruit, 40 jaar misschien. Maar dat lichaam van hem, dat is 75 jaar oud. Op. Versleten. Een soort ruimtepak met isolatiemateriaal dat aan alle kanten met plakband en paperclips aan elkaar wordt gehouden. Vreselijk.

Hij had natuurlijk allang dood moeten zijn. Dat was ook de planning, ergens begin dit jaar. Dan was hij mooi van dat lichaam af geweest. Weg ermee. Hij keek er naar uit. Doodgaan. En dan? Zou alles in één keer aan hem voorbij trekken? Zijn hele leven, hop, in één seconde? Zou hij in een andere dimensie komen?

Nu moet hij nog langer op antwoord wachten . Hoe lang? Dat weet hij niet. Het kan nog een paar jaar duren. Maar ook een paar maanden. Want hij ging niet dood. Mei vorig jaar werd er darmkanker bij hem geconstateerd, uitgezaaid naar zijn lever. Hij zou nog een paar maanden te leven hebben, zeiden de artsen. Hij werd geopereerd om die laatste maanden geen onnodige pijn te lijden. Maar daarna zou het snel afgelopen zijn, zeiden de doktoren. Prima.

Maar toen kreeg hij eind oktober vorig jaar een telefoontje dat er een arts was die zijn lever ook wel dacht te kunnen opereren. De operatie kwam er eigenlijk op neer dat zijn hele lever werd blootgelegd. Dat was een snee. Ongelofelijk. Een soort harakiri. Er werd zo’n 2,5 ons van zijn lever afgesneden waarin de uitgezaaide tumoren zaten. Een paar maanden later bleek de kanker verdwenen. Schreef zijn behandelend arts vervolgens aan de rechtbank in Haarlem dat hij feitelijk ziektevrij was. Daar maakte het Openbaar Ministerie graag gebruik van. Door zijn ziekte was de strafzaak tegen hem opgeschort. Terwijl alle andere verdachten in de zogeheten vastgoedfraude jaren celstraf kregen opgelegd, zat hij thuis. Nou ja, hij lag vooral in bed.

Maar of hij zich nu toch wilde melden bij de rechtbank. Liefst zo snel mogelijk. Want hij mocht dan wel een lichamelijk wrak zijn, hij was nog altijd die fraudeur en oplichter, een van de hoofdrolspeler in de vastgoedfraude, de grootste fraudezaak uit de Nederlandse geschiedenis. Hij was ome Nico, de aangetrouwde oom van hoofdverdachte Jan van V., die vier jaar cel kreeg. Het kon niet zo zijn dat hij met zijn rol weg zou komen. Dus verscheen Vijsma afgelopen november voor de rechter. Aan het einde van die maand werd hij veroordeeld tot twee jaar cel.

Goed. Dat was het afgelopen jaar in het kort. Voor een liefhebber zoals hij van het grote gebaar, drama, theater niet gek, toch? Dat had een beetje regisseur niet beter kunnen bedenken. Maar als hij het dan toch nog een beetje zou mogen herschrijven, het afgelopen jaar, dan zou hij het allemaal anders maken voor zijn vrouw Yvonne. Want haar leven is ook naar de kloten, door hem. Daar had hij nooit over nagedacht. Tot dit jaar. Hij is echt een beetje veranderd, zegt hij zelf. Niet dat hij ineens, snif, snif, weekhartig gaat lopen doen. Hij is niet zielig. Hij heeft geen spijt van wat hij heeft gedaan. Dat hij zelf nog een poosje de gevangenis in moet, zal hem een rotzorg zijn. Maar hij heeft wel spijt van wat hij Yvonne heeft aangedaan. Waar het leven nu om draait is dat zij verder kan.

Voorjaar 2012

„Ik kreeg vorige week een brief van de Rabobank. Ene pief van advocatenkantoor Loyens & Loeff schreef daarin dat ik door mijn rol als adviseur bij Bouwfonds het bedrijf schade heb toegebracht. Ze willen geld. Ik moet nog voor de rechter verschijnen, maar voor hen ben ik al schuldig. Aan de rechtbank schrijven ze: die Vijsma gaat toch naar z’n moer, verklaar hem failliet. Ik heb ook een hypotheek bij de Rabobank, maar ik heb geen geld meer om die te betalen. Overal ligt beslag op. Eind van deze maand moet ik een achterstand van duizenden euro’s betalen. Anders gaan ze het huis veilen. Maar ja, ik heb geen reet meer.”

„Ja ik heb de boel verneukt. Ik heb miljoenen verdiend. Ik had een eigen bedrijf en werd door mijn neef Jan ingehuurd bij Bouwfonds. Dan moest ik wat ingenieurs inwerken. Coachen, praten, adviezen geven. Dan kreeg ik in totaal bijvoorbeeld een miljoen om te zorgen dat een heel project liep. Met huurders praten, bouwers, koffie drinken bij de verantwoordelijke wethouder. Dat dat geld wat ik kreeg elders gejat was, daar had ik toch geen reet mee te maken?”

„Kijk, ik ben een boef en dan krijg je straf. Mijn hoofd moet er af. Ze gaan me plukken. Ik ben de evil genius uit de Klimop-fraudezaak. Maar ze doen nu net alsof alle grote vissen gevangen zijn. Ze zijn zo blij dat ze een paar lui tegen de muur kunnen spijkeren. En dan komt er zo’n officier van justitie die zegt: en nu is het allemaal afgelopen met dat gelul, jullie gaan de bak in. Ok, niet erg, maar ga niet aan de wereld verkopen dat er een eind is gemaakt aan de fraude. Onzin. Man, iedereen jat, liegt en bedriegt. Al die bovenbazen. Waarom wordt incompetentie eigenlijk niet gestraft? Dat kan natuurlijk niet, hè, anders zouden er zoveel bestuurders zwaar moeten zitten.”

„Ik verbaas me echt over de treurnis om ons heen. Alles om ons heen wordt verneukt. Ik kan me bijvoorbeeld heel erg verbazen over de benoeming van Piet Hein Donner als vice-president van de Raad van State. Dat was toch al jaren bekend bij de ingewijden dat hij dat zou worden. De hoge heren zeggen dan: doen we net alsof iedereen mee kan doen aan de sollicitatie en daarna regelen we dat. Zo gaat dat gewoon. Ik ben heel erg voor eerlijkheid. Ja, ja, ik begrijp ook wel dat dat hilarisch klinkt uit mijn mond. Ik als oplichter en fraudeur. Maar ik meen het.”

Zomer 2012

„Ik heb eigenlijk nooit nagedacht over wat ik deed. Jan belde of ik voor hem wilde werken en dat leek me wel lachen. Ik verveelde me rot, dus waarom niet. Dat hele Klimop-gedoe deed ik eigenlijk gewoon voor de lol. Ik heb ook geen spijt van alles wat ik heb gedaan. Ik heb ook helemaal geen verhaal waarom ik dit heb gedaan. Gewoon, nooit over nagedacht. Ik deed wat ik deed. Maar wacht even, ik heb ook echt mensen geholpen, hè. Die kwamen bij mij thuis omdat ze niet goed in hun vel zaten en die hielp ik dan. Praten, coachen, soort neurolinguïstisch programmeren. Ik geloof er zelf niet in, maar het werkt wel. Ze kwamen hier uit zichzelf, hoor. Sterker nog, er komen hier nog steeds mensen. Die komen niet voor mij hoor, maar voor zichzelf. En dan ben ik weer de coach.”

„Hoeveel geld er binnenkwam? Dat weet ik niet. Genoeg. Mijn boekhouder had een volmacht voor mijn persoonlijke en zakelijke rekening. Ik deed helemaal niets zelf. Ik had wat vermogen in aandelen staan bij Merril Lynch. Die belegden ze voor mij. En ik had een rekening bij Van Lanschot. Daar nam ik elke maand zo’n 6.000 euro van op. Daar betaalde ik gewoon die maand mijn uitgaven van; feestjes, vriendinnen, coke en zo. Nu heb ik niets meer. En mijn boekhouder heeft nog een claim tegen me ingediend van 750.000 euro wegens achterstallig salaris. Wat is arm, wat is rijk. Vroeger had ik ook niets, maar was ik rijk. Ik ben nog steeds rijk.”

„Omdat ik niets meer heb, gaan ze nu achter Yvonne aan. Ja, daar heb ik wel spijt van. Ik heb daar nooit over nagedacht, maar ik heb de vloer en het dak van een veilig huis weggerukt. Op Groupon heeft ze laatst 3 verhuiswagens besteld. Ik heb nog geen idee waar we terechtkomen. We gaan straks van 230 vierkante meter naar misschien 80 vierkante meter. Dat geeft haar heel veel stress. Tja. Het komt wel goed. Of niet. Daar denk ik niet over. Of ik niet gehecht was aan dit huis? Dat werkt niet in mijn hoofd. Ik hecht me niet. Weet je, eigenlijk besta ik al niet meer. Ik ben van de wereld af. Er is niets meer wat me nog zal verbazen op deze wereld. Ik heb vast een tik opgelopen toen ik mijn jeugd in dat jappenkamp zat. Dat moet wel. Misschien heb ik daar ergens mijn gevoel weggestopt.”

„Ik weeg nu 70 kilo. Mijn conditie is na al die operaties zo klote, dat ik net zo goed meteen in mijn kist kan gaan liggen. Wat de vooruitzichten zijn? Ik wil geen periodieke scanning heb ik tegen mijn dokter gezegd. De kans is groot dat de kanker terugkomt, sterker nog, het kom altijd terug. Ik slik geen chemopillen. Maar wacht, dit is geen klaagzang, hè. Mijn geest is in topconditie.”

Najaar 2012

„Ik kreeg deze week een uitnodiging voor het programma 24 uur met, van Wilfried de Jong. De pretentie, alsof er mensen naar mij zouden willen kijken. Alsof ik al die tijd iets zinnigs te zeggen heb.”

„Kijk, die dvd-box kreeg ik laatst van iemand, over Nederlands-Indië in de Tweede Wereldoorlog. Fascinerend lijkt me dat. Ik ga dat toch maar eens bekijken. God, nee, ik denk eigenlijk nooit aan dat jappenkamp. Ja, ik moest toekijken hoe mijn moeder werd afgeranseld. Dat is gewoon een feit. Nee, daar heb ik verder geen gevoel voor. Ik weet nog wel precies hoe we altijd diep moesten buigen als er een Jap langs kwam. Keirei, riepen ze dan. En iedereen sprong in de houding en boog. Dan had je zoiets als norei en dan moest je weer omhoog komen.”

„Daarna ben ik nooit meer voor iemand in de houding gesprongen. Toen ik bij Bouwfonds ging rondlopen, viel ik meteen op. Zwarte jas, zonnebril. Een meneer die zomaar kut en fok zei. Yvonne was de directiesecretaresse daar. Ze was toen eind dertig en niet bang voor me. Dat was leuk. Ze was groot en blond en ik dacht; die wil ik naast me hebben. Zo is het gegaan.”

„In de weekenden was ik vaak hotelgast van beroep. Dan sliep ik in Huis ter Duin, of het Kurhaus, soms Des Indes. Dat vond ik leuk. Ik was veel weg en dan vroeg Yvonne: wat doe je allemaal? Dus ik zei tegen haar dat ze me nooit meer vragen moest stellen. ‘Ik zorg voor je. Ik onderhoud je. Maar je stelt geen vragen.’ Ik snoof in die tijd coke als een stofzuiger. Vrouwen, drank. Yvonne wist ook niets van mijn potje bij Van Lanschot. Wat voor relatie dat was? Een hele slechte. In 2005 is ze weggegaan. Een jaar was ze weg. Toen kwam ze terug. Welkom, zei ik. Ik was ten diepste gehecht aan haar, maar kon het niet laten merken. Waarom? Ik heb daar geen gevoel voor, voor trouw. Wel naar vrienden toe. Mijn woord is mijn woord. Ik heb een soort psychologische angst om gebonden te zijn. Daarom verniel ik dat expres.”

„Ze was bij me terug en een jaar later stond de opsporingsdienst Fiod op de stoep. Met de opeenstapeling van teringzooi van daarvoor had ik het prima begrepen als ze had gezegd dat ik kon doodvallen. Ik ben ziek geweest, berooid, heb haar leven verkloot, maar zij is mijn beschermengel. Mijn zoons zeiden: hoe is het in godsnaam mogelijk dat ze bij je blijft? Ze had je een teringschop moeten geven.”

„Ik heb ooit een prachtige documentaire gezien, ‘Wij trekken vuur’, over Russische partizanen. Ik trek ook vuur. De moeilijkheden komen op mij af of het nou wil of niet. Maar ik ben een gelukkig mens, hoor. Helemaal in balans. Ik leef als een soort kluizenaar. Ik loop van de slaapkamer naar de woonkamer en de keuken en het toilet. Dat is het. En ik ben dichter.”