Hoe de mens onderweg uit Afrika ontkleurde

Living Color, the biological meaning of skin color. Nina Jablonski, University of California Press, 2012, € 25,99

Een ‘sepiakleurige regenboog’ noemt Nina Jablonski het, de mondiale diversiteit aan menselijke huidtinten. De donkerste mensen, bijna zwart, zijn leden van zeevarende volkeren die rond de evenaar wonen. De lichtste huid, doorschijnend wit, komt voor bij de Saami in het noorden Scandinavië. De lokale variatie in de jaarlijkse hoeveelheid zonnestraling is de drijvende kracht geweest achter deze extreme evolutionaire aanpassing, die vastligt in de genen. De selectiedruk op de erfelijkheid is sterk, want uv-straling in zonlicht is zowel noodzakelijk als schadelijk voor de menselijke gezondheid; de huidskleur is de uitkomst van die twee tegengesteld werkende krachten.

Het is opmerkelijk hoe antropologe Jablonski in haar boek meteen diep de moleculaire en genetische details induikt, in plaats van de nadruk op cultuur te leggen. Maar het is logisch, want de tint van de menselijke huid is vooral biologisch bepaald, en pas in tweede instantie hebben mensen er ook een culturele waarde aan gehangen.

Jablonski weet de details zo goed te doseren, dat de lezer vrijwel ongemerkt steeds dieper de complexe wetenschap wordt ingezogen. Als blanke inwoner van sunny state Californië zoomt ze eerst in op de gevaren van te veel zon. Een huid met weinig pigment kleurt wel iets bij, maar beschermt huidcellen niet goed tegen DNA-schade door uv-straling. Daardoor hebben mensen met een lichte huidskleur een grotere kans op huidkanker, vooral als zij op een plek met veel zon wonen.

Maar het is een misverstand dat die extra gevoeligheid voor huidkanker de grote selectiekracht is die verantwoordelijk is voor een donkere huid, schrijft Jablonski. Huidkanker krijg je immers pas op latere leeftijd, als er al nakomelingen zijn. Er is een betere verklaring: een donkere huid beschermt bij veel zonlicht ook tegen de afbraak van foliumzuur, een stof die vroeg in de ontwikkeling nodig is voor de aanleg van het zenuwstelsel. Een tekort vergroot de kans op een kind met een zogeheten ‘open ruggetje’.

Verder van de evenaar neemt de intensiteit van de zonnestraling zo veel af, dat de aanmaak van vitamine D door de huid in gevaar komt. Iemand met een donkere huid heeft zes keer zoveel uv nodig als iemand met een lichte huid om dezelfde hoeveelheid van deze essentiële stof te maken. Daarom ‘ontkleurde’ de vroege mens die zich vanuit tropisch Afrika over de hele wereld verspreidde.

Optimale aanpassing van de huidskleur aan de lokale uv-omstandigheden kostte volgens Jablonski 10.000 tot 20.000 jaar. Het kan sneller zijn gegaan, schrijft ze, vooral als ook culturele factoren een rol zijn gaan spelen. Maar het is een grote vraag of onze voorouders huidskleur überhaupt een belangrijke eigenschap vonden. In ieder geval zijn schoonheidsidealen niet altijd dezelfde geweest.

In de smeltkroes van de Verenigde Staten doen zwarten moeite om hun huid te bleken, terwijl blanken wanhopig proberen met bruiningscrèmes, aan het strand of onder de zonnebank wat kleur te krijgen. De tintindustrie wordt gevoed door daadwerkelijk ervaren voor- en nadelen. ‘Colorisme’ noemt Jablonski dat fenomeen. Uit recent onderzoek blijkt bijvoorbeeld dat licht of donker getint voor nieuwe immigranten in de VS een inkomensverschil van wel 17 procent betekent.

Een beter begrip van de biologische oorsprong van kleurverschillen zal discriminatie helpen verminderen, voert Jablonski aan. Ook zonder die obligate boodschap was haar boek interessant geweest.

    • Sander Voormolen