Het hok als laatste toevlucht

Biologie

Hoe behoed je bedreigde diersoorten voor uitsterven? Eén manier is om resterende exemplaren te vangen. En dan maar hopen dat ze zich in een dierentuin voortplanten.

Grutto Foto Maurice Boyer

Als er niets gebeurt, dan zullen ze misschien volgend jaar al uitsterven: de vuursalamanders van Zuid-Limburg. Daarmee zouden ze de eerste amfibieënsoort zijn die uit Nederland verdwijnt. In de vochtige hellingbossen leefden tien jaar geleden nog honderden vuursalamanders per hectare. Dit jaar waren het er in totaal nog maar enkele tientallen. Wat de plotselinge crash heeft veroorzaakt, is nog onbekend. Gif, een ziekte, veranderde waterkwaliteit: nergens zijn nog aanwijzingen voor gevonden. Tijd om in te grijpen, vond Stichting RAVON (Reptielen-, amfibieën- en vissenonderzoek Nederland). De organisatie verzamelde dertig dieren in het Bunderbos en brengt ze binnenkort onder bij twee dierentuinen. De hoop is dat de dieren zich in gevangenschap gaan voortplanten en zo de basis kunnen vormen voor herintroductie in de toekomst (zie kader).

Soms werkt het goed, maar vaak ook niet: wilde dieren in gevangenschap voor uitsterven proberen te behoeden. Spectaculair succes is er geweest met een handvol soorten, waaronder het przewalskipaard, de wisent (Europese bizon) en de Arabische oryx, een sierlijke gazelle met lange, kaarsrechte hoorns. In het wild waren deze soorten geheel uitgestorven, maar na herintroductie vanuit gevangenschap zijn er nu weer wilde populaties die zichzelf kunnen redden. Bij sommige projecten is de uitkomst nog onzeker. De Californische condor, in 1997 geherintroduceerd vanuit gevangenschap, leek het bijvoorbeeld aardig te doen maar lijdt nu sterk onder loodvergiftiging. Tientallen andere projecten zijn ronduit mislukt.

Ook in Nederland grijpen instanties soms in, bij soorten die weliswaar niet wereldwijd maar wel regionaal dreigen te verdwijnen. Onbetwist is in elk geval het succes van de ooievaarsdorpen, wellicht het oudste Nederlandse initiatief in dit genre: bij aanvang in 1969 telde Nederland nog maar 17 paren ooievaars, en nu zijn het er ruim 700. Ook de herintroductie van raven vanuit gevangenschap lijkt geslaagd. Nationaal Park Hoge Veluwe heeft datzelfde geprobeerd met korhoenders, maar zonder succes. In 2009 is er voor het laatst een uitgezet korhoen gezien. Alterra is dit jaar begonnen met het kweken van de Europese rivierkreeft, die in Nederland nog maar op één landgoed voorkomt. Ook leidt Alterra het veelbesproken project rond de Limburgse korenwolven: jaarlijks zet het instituut zo’n honderd gefokte exemplaren uit. Zinvol, of juist geldverspilling? De meningen lopen uiteen.

Handjevol

“Het is een duivels dilemma”, zegt Wilbert Bosman, die bij RAVON het project SOS Vuursalamander leidt. “Natuurlijk wil je de dieren het liefst beschermen in hun natuurlijke omgeving. Dertig vuursalamanders wegvangen, waardoor er misschien maar een handjevol achterblijft, dat doe je niet zomaar. Maar je moet een beslissing nemen. Als je niets doet, is het hoe dan ook afgelopen.”

Vuursalamanders komen vrijwel in heel Europa voor; ‘onze’ ondersoort leeft in heel Frankrijk en in grote delen van Duitsland en België. Waarom dan zoveel moeite doen voor die kleine populatie aan de rand van het verspreidingsgebied? “Ten eerste is er een kans dat onze vuursalamanders toch een aparte ondersoort zijn”, antwoordt Bosman. “We onderzoeken nu in hoeverre ze verwant zijn met de andere vuursalamanders van Noordwest-Europa. Als het om een aparte ondersoort gaat, dan heb je het wel degelijk over wereldwijd uitsterven.” Bovendien, zo vertelt hij, horen vuursalamanders van oudsher bij onze hellingbossen. Ook vertellen ze veel over de gezondheid van het ecosysteem en over de mate waarin gebieden met elkaar in verbinding staan. De hellingbossen in Nederland staan onder druk, benadrukt hij, en dat zouden we ons moeten aantrekken. “Je wilt het toch niet laten gebeuren dat er een soort uitsterft terwijl je erbij staat? ”

Jaime Garcia Moreno is genuanceerd positief over kweek in gevangenschap. Hij is directeur van de Amphibian Survival Alliance (ASA), een initiatief van onder meer natuurorganisatie IUCN. ASA brengt onderzoekers en natuurbeschermers samen bij concrete projecten om het uitsterven van kikkers, padden en salamanders te voorkomen. “Kweek in gevangenschap is een waardevol laatste redmiddel”, zegt hij. “Je wilt het zeker niet meteen doen. Maar het probleem met amfibieën is dat veel soorten zo snel achteruit gaan dat je geen andere mogelijkheid hebt. Door ze in dierentuinen op te vangen en te kweken, win je kostbare tijd om een oplossing te vinden voor het probleem in de natuur.”

Hij noemt het voorbeeld van de Panamese goudkikker, waarvan onderzoekers in 2006 op de valreep de allerlaatste exemplaren wegvingen. De populatie was al langer bedreigd door onder meer houtkap, maar nam in korte tijd plotseling sterk af door de huidvretende chytrideschimmel, die wereldwijd huishoudt onder amfibieën. “Natuurlijk lopen de dieren in gevangenschap ook risico”, zegt Garcia Moreno, “maar inmiddels is er zo veel ervaring en zo’n goede controle dat de risico’s goed beheersbaar zijn. In gevangenschap kun je bijvoorbeeld antischimmelmiddelen toepassen.”

“De grote vraag is natuurlijk: wat moet je doen om de dieren weer veilig te kunnen uitzetten”, zegt de amfibieënkenner. “Allereerst moet je de oorzaak van de achteruitgang kennen. Vaak gaat het om een combinatie van factoren. En zelfs als je de oorzaak weet, dan is er lang niet altijd iets aan te doen. Er leven bijvoorbeeld vissen in gevangenschap die nooit meer kunnen worden uitgezet, omdat hun habitat totaal verdwenen is. ”

Hoopgevend

Garcia Moreno vindt de actie van SOS Vuursalamander in principe hoopgevend. “Maar ook hier moet goed worden onderzocht wat die plotselinge achteruitgang heeft veroorzaakt”, zegt hij. “En ook het genetisch onderzoek vind ik heel belangrijk. Als nu blijkt dat die dieren genetisch nauwelijks verschillen van de vuursalamanders in Duitsland en België, dan zou ik zeggen: laat dat kweekprogramma maar zitten.”

Een vaak gehoord argument is dat dergelijke kweekprogramma’s veel geld kosten – geld dat je wellicht beter kunt investeren in natuurbeheer ter plaatse. Zowel Bosman als Garcia Moreno vindt dit voor amfibieën niet relevant. “Die zijn gemakkelijk en goedkoop te kweken”, zegt Bosman. “Voor ons project hebben we het hooguit over 50.000 euro. Dat is een schijntje in vergelijking met wat bijvoorbeeld de korenwolven kosten.”

Dat klopt, beaamt Gerard Müskens van Alterra. Hij is als onderzoeker al jarenlang betrokken bij het grootschalige hamsterproject in Limburg. “Wij hebben daar jaarlijks 1,2 miljoen euro voor beschikbaar”, zegt hij. “Daarvan besteden we het merendeel aan natuurbeheer in het veld, om het gebied geschikt te maken en te houden. Het fokprogramma zelf, inclusief onderzoek en coördinatie, kost zo’n 2,5 ton per jaar.” Korenwolven zijn in de afgelopen eeuwen uit ons landschap verdwenen omdat ze niet goed gedijen bij monocultuur. Ze hebben een afwisselende vegetatie nodig, die met name gedurende de zomer, als de jongen gaan rondlopen, voldoende dekking biedt tegen roofdieren zoals vogels en vossen. “Graanakkers zijn van nature heel geschikt”, zegt Müskens, “maar die worden vaak vroeg in de zomer geoogst. Daardoor zijn de akkers in juli en augustus helemaal kaal. Vroeger bleven er dan nog akkeronkruiden staan, die voldoende dekking boden. Maar met de huidige onkruidbestrijding is dat niet meer zo.” Het project van Alterra beoogt dan ook het akkerbeheer aan de hamsters aan te passen. “We onderzoeken nu andere manieren van oogsten”, zegt Müskens, “om te kijken op welke manier we moderne landbouw en korenwolven kunnen verenigen.”

Achteruit hollen

Maar ook hier gaat het om een soort aan de uiterste rand van zijn areaal. In de rest van Europa leven ook korenwolven. “Jawel”, zegt Müskens, “maar overal hollen ze keihard achteruit. Duitsland, Hongarije, Tsjechië, Polen, Oekraïne...” Met onze korenwolven gaat het relatief goed: dit jaar werden er 500 burchten geteld – meer dan in Frankrijk, België en Noordrijn-Westfalen tezamen. Müskens: “Voor een gezonde populatie zouden het er eigenlijk 1.500 moeten zijn, maar toch vind ik het nu al een succes.”

Frank Berendse, hoogleraar natuurbehoud en plantenecologie aan Wageningen UR, heeft zo zijn twijfels. “Natuurlijk vind ik natuurbescherming heel erg belangrijk, en beleef ik veel emotie bij het uitsterven van individuele soorten”, zegt hij, “maar ik denk niet dat kweekprogramma’s een oplossing zijn. Vaak worden beesten gewoon maar weggevangen en weer uitgezet terwijl volstrekt onduidelijk is waarom ze eerst waren verdwenen.”

Als voorbeeld noemt hij de korhoenders op de Hoge Veluwe. Daarnaast denkt Berendse dat dieren in sommige gevallen vanzelf zullen terugkeren als de omstandigheden weer voldoende zijn verbeterd, zoals al is gebeurd bij de kraanvogel en de zeearend. Ook raven zouden volgens hem vanzelf zijn teruggekomen. “Al dat tuinieren en wegvangen, ook met die hamsters in Limburg... Bizar! Ik vind dat het verboden zou moeten worden.”

Over de vuursalamanders wil hij geen uitspraak doen, want hij kent de situatie onvoldoende. “Het gebeurt allemaal met de beste bedoelingen”, zegt hij, “maar het gaat mij meer om de manier waarop je met natuur omgaat. We gaan in Nederland uit van totale maakbaarheid, maar vergeten dat er sprake is van een geweldig autonome dynamiek waarbij soorten verdwijnen en zich opnieuw vestigen. We proberen veel te krampachtig vast te houden aan wat er nu is.”

Als voorbeeld noemt hij het beheer van het Wormer- en Jisperveld, in Noord-Holland. “Daar wilde men koste wat kost de grutto’s behouden”, vertelt hij. Maar in de loop van de tijd namen de aantallen af, terwijl intussen een deel van het gebied was veranderd in rietmoeras. Daar hadden allerlei nieuwe soorten zich gevestigd, zoals de roerdomp. “Uiteindelijk zijn de rietmoerassen verwijderd, ten gunste van de grutto maar ten koste van de roerdomp. Zo blokkeer je een spontane ontwikkeling om een soort die het toch niet redt, wanhopig in de lucht te houden.”

Berendse heeft zitting in een commissie van de Raad voor de Leefomgeving en Infrastructuur, die in februari een advies zal uitbrengen aan de Tweede Kamer over nieuw natuurbeleid. “Ik vind dat we af moeten van die focus op bescherming van specifieke soorten. We zouden ons moeten richten op het gehele landschap, waarbij je ervoor zorgt dat dat voldoet aan de randvoorwaarden, zoals areaal en milieucondities. We moeten niet continu op detailniveau willen bepalen welke soorten er leven. Dat leidt tot excessen.”

Erfgoed

Müskens van Alterra is het hier niet mee eens. “We hebben een bepaalde verplichting om ons natuurlijke erfgoed te bewaren”, zegt hij, “ook vanuit de EU-regels. Natuurlijk kun je zeggen: het zij zo. Maar vaak kun je met iets andere keuzes in je landgebruik al heel veel bereiken. Als we dat niet doen, dan wordt heel Zuid-Limburg een gazonveld waar je geen zoogdier of vogel meer ziet. Het is zeer de vraag of dat op den duur goed gaat.” Zonder variatie in je landschap zijn gewassen bijvoorbeeld veel gevoeliger voor plagen, legt hij uit.

Ook Bosman van RAVON wijst op de gevolgen van het verlies van kleinschalig landschap. Menselijk ingrijpen om soorten te behouden vindt hij niet meer dan logisch: “Het is onze verantwoordelijkheid.” Soms is het volgens hem voldoende om dieren te helpen bij het herkoloniseren van bepaalde gebieden, zoals is gebeurd bij de geelbuikvuurpad. Maar soms is kweek onvermijdelijk, om te voorkomen dat een soort je door de vingers glipt. Garcia Moreno van ASA: “Wat moet je anders? Nietsdoen is in elk geval geen optie. Bovendien leveren die dieren in gevangenschap vaak heel nuttige informatie op die we kunnen gebruiken om ze in de natuur beter te beschermen.”

    • Nienke Beintema