Het drama van het belaagde kind: terughoudendheid blijft geboden

Hoeveel recht op privacy heeft een kind, levend of dood?

Die vraag dringt zich op na alle media-aandacht voor de zelfmoord van Tim (20) uit Tilligte en die van Fleur (15) uit Staphorst, en daarna nog eens de moord op twintig Amerikaanse basisschoolkinderen in Newtown, Connecticut.

Zowel over Tim als over Laura kwamen op televisie schoolgenoten en kennissen aan het woord, in Staphorst minderjarigen. Onder hen een meisje dat Fleur nog op het spoor had zien staan. Na het bloedbad in Newtown, waar de NOS als 51ste staat direct een extra Journaal voor inruimde, deden jonge kinderen ooggetuigenverslag.

Soms kan dat niet anders, journalisten zijn beroepsvoyeurs: ze verslaan gebeurtenissen waar wij niet bij zijn, onthullen feiten die anderen liever verborgen houden. Geen wonder dus, dat journalistiek van oudsher heftige en tegenstrijdige gevoelens oproept, van fascinatie tot walging. We willen alles weten, en toch ook weer niet.

Kinderen werden daarbij in de regel ontzien. De ophef was groot toen De Telegraaf in 2010 een interview afdrukte met de 9-jarige jongen Ruben, de enige overlevende van een vliegramp waarbij zijn ouders en broer omkwamen, op zijn ziekbed in Tripoli („Mijn benen doen erg pijn”).

De Raad voor de Journalistiek scherpte na dat incident zijn Leidraad voor de omgang met slachtoffers en nabestaanden van rampen aan. Journalisten die hen benaderen, moeten volgens de Raad „rekening houden met hun recht om met rust te worden gelaten’’.

Een mooi uitgangspunt, maar een dat op gespannen voet staat met de moderne mediawerkelijkheid. De twitter-samenleving is een panopticum, waarin iedereen elkaar in real time bekijkt en becommentarieert. En waarin iedereen, ook kinderen, steeds beter weet wat er verwacht wordt zodra de camera aanfloept: in duidelijke zinnen spreken, traan wegpinken, bear huggen met lotgenoten.

En zo schikken we ons naar de titel die onder ons pratende hoofd verschijnt: ‘slachtoffer’, ‘ooggetuige’ of, de sufste, ‘gedupeerde’.

Na de schietpartij in Newtown laaide in de VS de discussie over het gebruik van kinderen bij zo’n drama op, al bezworen media als CNN dat ze hun alleen om commentaar hadden gevraagd in bijzijn van een ouder. ‘Moeder en blogger’ Kim Simon en anderen gingen tekeer tegen het ondervragen van minderjarigen (www.huffingtonpost.com).

Op het Nederlandse Twittermania waren voorbeelden te vinden van ‘Giertweets’ (zoals in: van aasgieren), waarmee de media ooggetuigen benaderden. Advies op die site: toon daarbij dan op zijn minst empathie en neem er ruim de tijd voor (www.twittermania.nl).

Hoe gaat NRC Handelsblad daarmee om?

Het Stijlboek van de krant is stellig: „We moeten kinderen tegen zichzelf beschermen, zij kunnen de eventuele gevolgen van het optekenen van hun woorden niet overzien.” Daarom is voor interviews toestemming vereist van een volwassene; niet voor een enkel citaat in een reportage „waarin het kind niet herkenbaar wordt opgevoerd”.

Achterhaald paternalisme?

Wubby Luyendijk, die verslag deed na de zelfmoord van het 15-jarige meisje in Staphorst, sprak daar met kinderen en ouders en citeerde uit de rouwbriefjes die waren achtergelaten op de plek des onheils. Maar ze voerde geen kinderen sprekend op in haar stuk, dat overigens nog wel een tamelijk ‘vette’ kop meekreeg. (‘Ze zagen haar staan, ze was in tranen’ , 14 december).

„Ze zijn minderjarig, ze waren emotioneel”, licht Luyendijk toe. „En wat is de meerwaarde ervan voor de krant?” Luyendijk noteerde wel hun namen, om hen en hun ouders eventueel later nog eens te kunnen benaderen, als de emoties tot bedaren zijn gekomen.

Over Tim Ribberink berichtte de krant prudent pas een dag later, en niet op de voorpagina. Toch een groot verschil met de manier waarop twee jaar geleden de dood van acteur Antonie Kamerling op de voorpagina werd behandeld.

Voor NRC Handelsblad geldt dat bij zulke persoonlijke drama’s het publieke belang van een zaak voorop moet staan, niet de particuliere horror. Dat is bij die twee zelfmoorden mogelijk het verband met pesten, al blijft dat moeilijk te bewijzen. Om dat laatste te doen zou je, met de nodige zorgvuldigheid, nog veel dieper in een individuele zaak moeten duiken. Dat gebeurde (nog) niet. Nu waaierde de discussie, zeker op televisie, al snel breed uit naar allerlei ‘pestdeskundigen’ en de noodzaak van de politiek om ‘eindelijk iets te doen’.

De spanning tussen openbaarheid en terughoudendheid speelde ook in de zaak-Newtown.

De webredactie moest een fotoreeks van het drama van de site nrc.nl halen, de hoofdredacteur vond dat de foto’s – vooral portretten van de slachtoffers – niet pasten bij de terughoudendheid die NRC in zulke zaken moet betrachten. Ze werden vervangen door een ingetogen fotoreportage ‘In Beeld’.

De krant is dus voorzichtiger geworden. Want toen massamoordenaar Anders Breivik in november 2011 toesloeg op het eiland Utoya, plaatste NRC Handelsblad – op de voorpagina – juist zo’n reeks portretten van jonge slachtoffers, van wie toen bovendien nog niet duidelijk was of ze dood of levend waren. Het journalistieke ‘dilemma’ was toen, of de krant dode of juist overlevende kinderen zou laten zien.

Ik ben het eens met de recente, meer prudente aanpak. NRC Handelsblad moet het niet hebben van emoties of impulsen, maar van afgewogen berichtgeving in het algemeen belang, gestuurd door de kracht van argumenten.

Zeker bij drama’s waar kinderen de hoofdrol in spelen.

Sjoerd de Jong is ombudsman van NRC Handelsblad. Zijn oordeel is persoonlijk, en staat los van dat van de (hoofd)redactie. Statuten www.nrc.nl/ombudsman. Reacties ombudsman@nrc.nl

    • Sjoerd de Jong