• Ik

Gezellig

In de trein Amsterdam-Leiden. Een groepje vriendinnen van middelbare leeftijd stapt in, net op tijd. Dat roepen ze ook. „Nou, net op tijd!” Giechelend installeren ze zich op de plekken om mij heen. „Nou, hè hè!”, „Oh heerlijk, was gezellig zeg!”, „Nou en of! Moeten we vaker doen!” De avonturen van de dag passeren de

In de trein Amsterdam-Leiden. Een groepje vriendinnen van middelbare leeftijd stapt in, net op tijd. Dat roepen ze ook. „Nou, net op tijd!” Giechelend installeren ze zich op de plekken om mij heen. „Nou, hè hè!”, „Oh heerlijk, was gezellig zeg!”, „Nou en of! Moeten we vaker doen!”

De avonturen van de dag passeren de revue: iemand wilde voordringen („Zo asociaal!”), Trudy raakte bijna haar portemonnee kwijt, Annette vergat bijna uit te checken, Joke werd bijna versierd. Tot Haarlem ben ik gedwongen te luisteren naar gebeurtenissen die niet gebeurd zijn.

Dan moet het gezelschap afscheid nemen van Trudy. („Hè nu al, Trudy? En het was net zo gezellig!”) Hierop volgen afscheidswoorden en zoenen. „Nou lieverd, ik [kus] zie je [kus] gauw, [kus] groeten aan Henk.”

Trudy stapt uit en wordt hevig uitgezwaaid. Als de trein weer rijdt, transformeren de gezichten van de dames, van vrolijk naar bloedserieus: „Volgende keer komt ze écht niet meer mee!”

Tato Martirossian

    • Ik