De twee kanten van Afghanistan

Fotograaf Joël van Houdt zit midden in Afghaans oorlogsgebied, maar leidt desondanks een relatief rustig bestaan in Kabul.

Afghanistan, Kabul, October 4, 2012 Evening prayer, late afternoon on Pamir Square next to a bus stop to take people home after their workday. Photo: Joel van Houdt Joel van Houdt

Het leven van fotograaf Joël van Houdt (1981) in Afghanistan heeft twee kanten. In de hoofdstad Kabul leidt hij een relatief rustig bestaan. Maandelijks ontploft er wel een bom, maar, zegt hij, „in een stad met vijf miljoen mensen moet je dan wel echt toevallig op de verkeerde plaats zijn. Ik loop zonder problemen over straat, al krijg ik de laatste tijd wel wat vaker een tomaat of ui naar me toe gegooid; mensen zijn westerlingen zat.”

Rijdt hij een uur naar het zuiden, dan zit hij „midden in de oorlog”. Die twee kanten zijn terug te zien op deze pagina’s: op de linkerpagina staat een selectie uit de oorlogsfoto’s die Van Houdt dit jaar maakte, rechts beelden uit het dagelijks leven in Afghanistan.

Eerder werkte Van Houdt in Rusland, en volgde hij langdurig Marokkaanse bootvluchtelingen die in Europa op zoek gingen naar een beter bestaan. In de zomer van 2010 vertrok hij naar Afghanistan, met als plan er zes maanden te blijven en de nieuwe rekruten van het Afghaanse leger te fotograferen. „Maar na drie dagen belde The Wall Street Journal en dacht ik: misschien kan ik hier wel een bestaan als freelancer opbouwen.” Tegenwoordig doet hij vooral projecten voor The New York Times Magazine.

De kans mag dan klein zijn, eind vorig jaar was hij in Kabul getuige van een aanslag: de zelfmoordaanslag bij de viering van het Ashurafeest door shi’ieten, waarbij zestig mensen omkwamen, velen baby’s en kleine kinderen. „Wat dat betreft was dit een rustiger jaar. Ik ga wel naar plekken waar aanslagen zijn geweest, maar als je het van tevoren weet, ben je voorbereid op wat je gaat zien.”

Van Houdt is van plan nog tot eind 2014 te blijven. „Afghanistan is geen land waar je verliefd op wordt”, zegt hij. „Alleen al niet om de manier waarop vrouwen hier worden behandeld. Maar ik wil pas gaan als de NAVO-troepen zich hebben teruggetrokken en de presidentsverkiezingen zijn geweest – áls die doorgaan.”