De opmars van de Grote Regressie

Met de economie op weg naar het vijfde crisisjaar, grijpt de nostalgie om zich heen. Was het vóór de liberaliseringsgolf toch beter?

De economie groeit niet of nauwelijks, de inflatie wordt zo’n 2,6 procent. De werkloosheid stijgt tot boven de 7 procent. De consumentbestedingen zieltogen, de bedrijfsinvesteringen krimpen en die in de woningmarkt ook. Het enige dat de groei nog overeind houdt is de export, en het begrotingstekort daalt weliswaar wat, maar blijft steken boven de 3 procent.

Is dit 2013? Het lijkt er sprekend op, als je de officiële voorspellingen van het Centraal Planbureau en De Nederlandsche Bank erbij haalt. Maar bovenstaande cijfers zijn uit 1993 – twintig jaar geleden. En er moest destijds iets gebeuren. De overtuiging heerste dat na elke conjunctuurdip de werkloosheid zou stabiliseren op een hoger niveau, dat de gouden jaren niet terug zouden komen. Maar er was ook een steeds sterker geloof dat het anders kon. De ineenstorting van de Sovjetunie beroofde het Westerse model van democratisch kapitalisme van zijn enige tegenhanger. De weg voorwaarts was duidelijk: dereguleren, privatiseren en liberaliseren. En er waren weinig landen waar dit vermeende Amerikaanse model sneller en doortastender werd doorgevoerd dan Nederland. In de loop van de jaren negentig waren de macro-economische cijfers prestaties van Nederland en de Verenigde Staten zelfs vrijwel niet van elkaar te onderscheiden – afgezien van de schaal. Amerika aan de Noordzee, noemden we onszelf in die tijd. En niet zonder trots.

Twintig jaar na 1993 staan we voor een soortgelijke existentiële vraag als toen. Hoe verder? Economen voorzien net als toen, als er niets gebeurt, een tijdperk van stagnatie: het Nieuwe Normaal, waarin lage groei en lage inflatie hardnekkig voortduren. En in plaats dat er een tegenstander is weggevallen, zoals destijds, is er nu juist een alternatief model bij: het zinderende, gestuurde kapitalisme van Azië. De nevenstaande grafieken spreken boekdelen: sinds het begin van de jaren tachtig is het Westen hard op weg naar een periode van lage groei en lage inflatie. De nominale economische groei (volumegroei van de economie, plus de inflatie) neemt structureel af. Azië gaat de andere kant op. Het resultaat is dat van de koek van het wereldwijde bruto binnenlands product een steeds groter deel naar Azië gaat. Nog even en het continent, hier inclusief Japan, is het Westen definitief voorbij.

In al deze verwarring speelt een gevoel dat, samengevat, in Nederland neerkomt op wat je economische nostalgie zou kunnen noemen. Tel het verlangen naar het verleden maar eens op. Begin jaren negentig werden de hypotheeknormen vergaand versoepeld, hetgeen flink bijdroeg aan de woninghausse. Nu de zeepbel is geklapt worden de normen weer strak aangetrokken.

De financiële sector wordt, na twee decennia van vergaande liberalisering, weer strak ingesnoerd in wet- en regelgeving. Twintig jaar geleden kregen familiebedrijven accountants en adviseurs op bezoek die naar de balans keken, en bij een eigen vermogen van honderd procent de eigenaar voor gek verklaarden. Leverage moest er komen, een hefboom op het vermogen met behulp van leningen. Dertig procent eigen vermogen was meer dan genoeg. Nu kijken we jaloers naar de Duitse Mittelstand, die goeddeels hetzelfde is gebleven en succes heeft middenin de crisis.

Wat wellicht zou helpen is een ‘bedrijvendokter’ van toen, een ondernemer die met eigen geld haperende bedrijven overnam en saneerde. Maar die is al lang terzijde geschoven door private equity, dat vermogen belooft, schulden brengt en meer bezig lijkt met financiële constructies dan met de onderneming zelf.

Politiek lijkt het intussen slechts een kwestie van tijd tot ProRail en de NS, destijds uiteengereten om zelfstandig efficiënter te kunnen werken op een spoor dat een levendige concurrentie zou kennen, toch maar weer bijeen worden gevoegd. Als dat nog kan. En de woningbouwverenigingen, door de operatie-Heerma in 1993 verzelfstandigd, hebben we heimelijk liever toch weer onder de paraplu van de overheid. Wellicht zou het ook beter zijn de Waterschappen hun zuiveringsinstallaties, aan beleggers verkocht en daarna terug geleased, toch maar weer terug te laten kopen. Zzp’ers werden onthaald als de kampioenen van de flexibele arbeidsmarkt, maar blijken nu de economie ongekend tegenzit over te weinig drijfvermogen te beschikken – in de roep om hen toch binnen de volksverzekeringen te tillen weerklinkt een sterke hang naar de verzorgingsstaat.

De gulden terug, de arbo-arts terug (gisteren nog geadviseerd door de SER), bedenkingen over de snelle uitbreiding van de EU naar het oosten: de spijtlijst is lang. Niet alleen bij de burgers, maar ook onder de grote bedrijven. Insourcing raakt in de mode: ondernemingen beginnen weer meer zaken in eigen huis te doen. De Amerikaanse president Obama besteedde al lovend aandacht aan reshoring: het weer thuis brengen van productie die buiten de grenzen was geplaatst.

Met elk jaar dat de Grote Recessie voortduurt lijkt de Grote Regressie te groeien. Dat is begrijpelijk, maar gaat voorbij aan de vraag waarom aan dit alles begin jaren negentig ook alweer werd begonnen: een vermeende uitzichtloosheid en verwarring die best lijkt op de tijd van nu. De verzorgingsstaat was vermolmd, het bedrijfsleven was aan grote herstructureringen toe en het maatschappelijk middenveld was van kleverige klei. Koopwoningen waren voor grote groepen onbetaalbaar en de huursector was ingeslapen. Europa bevond zich middenin een valutacrisis, met het Britse pond en de Italiaanse lire als slachtoffers. Veel veranderingen waren terecht.

Het is al vaker gezegd dat het Westen zich de eerstvolgende jaren in terra incognita beweegt. Lage groei en lage inflatie worden voorzien, en het discours voegt zich daarnaar door te wijzen op de ‘economie van het genoeg’. Maar in wezen weet niemand wat er komen gaat. Eén ding staat vast: het is zinloos terug te willen gaan naar een verleden dat zich in retrospectief idealer voordoet dan het daadwerkelijk was. De enige weg is voorwaarts. Eng? Zeker. Moeilijk? Ook. Maar bovenal: opwindend.