Opinie

    • Karel Knip

Allemaal sprookjes!

In het eerste het beste sprookje uit de verzameling van Grimm gaat het al mis. Het is het sprookje van de prins die in een kikker is veranderd maar weer mens wordt als de prinses hem kust. Althans: dat is wat bijna iedereen denkt dat er in Der Froschkönig oder der eiseren Heinrich verteld wordt.

In werkelijkheid loopt het verhaal anders. De gouden bal van de prinses was in een diepe bron gevallen en de kikker had beloofd dat-ie hem eruit zou halen als hij haar speelkameraadje kon worden en in haar bedje mocht slapen. De prinses had het gretig toegezegd, want ze dacht: daar komt het toch nooit van. Maar als de kikker later aandringt en de rechtvaardige koning haar gebiedt woord te houden wil het kouwe dier op een zeker moment toch echt bij haar in haar mooie schone bedje. Om uit te rusten.

Sodemieter op, moet de prinses gedacht hebben. Ze heeft hem beetgegrepen en met alle kracht tegen de muur gesmeten. “Nun wirst du Ruhe haben, du garsticher Frosch.”

Du moment dat het walgelijke dier op de grond valt verandert hij in een prins. De koning besluit prompt dat de prinses met hem moet trouwen, de prins legt nog uit hoe hij in de bron was beland en daarna gaan ze slapen. Er wordt nergens met een woord gerept over zoenen en zeker niet over het zoenen van een kikker.

De Amerikaanse germanist Valerie Paradiz laat in haar boek Clever Maids (2005) aan de hand van de verzonnen zoen zien hoe uit de sprookjes van Grimm weer nieuwe sprookjes zijn ontstaan. Het is een goed gekozen voorbeeld dat verder natuurlijk weinig nieuws brengt. Iedereen weet dat Sneewittchen en Aschenputtel flink door Walt Disney te grazen zijn genomen en dat ook Dornröschen en Rotkäppchen de 21ste eeuw niet ongerept hebben gehaald. Weet er nog iemand dat Roodkapje na het onaangename avontuur met de eerste wolf later opnieuw door een wolf werd bedreigd? Die tweede keer was ze veel verstandiger en heeft ze de wolf laten verdrinken in het water waarin haar – inmiddels opgeknapte – oma een flinke partij worsten had gekookt. De sprookjes van Grimm hebben aan het eind, of al halverwege, altijd een rare draai die het begin geen goed doet. Als Gretel de heks in het vuur heeft geduwd en Hänsel uit zijn hok haalt, als de twee daarna heel erg gezoend hebben en weer terug naar huis willen dan beleven ze nog een vreemd avontuur met een rare witte eend.

200 jaar geleden verscheen het eerste deel van de drie delen sprookjes die de broers Jacob en Wilhelm Grimm zouden uitbrengen. De gebeurtenis is al links en rechts herdacht en er lijkt weinig aanleiding er nog wat aan te voegen. Hooguit kan nog eens benadrukt worden dat het een door de Grimms zelf verspreid sprookje is dat ze jarenlang door Duitsland hebben gezworven om in herbergen, taveernes en boerenhofsteden de resten van eeuwenoude oer-Duitse vertellingen te verzamelen. De bulk werd aangereikt door well educated ladies in de directe omgeving van de gestudeerde Grimms die in Kassel woonden. Toen de eerste verzameling een succes bleek, meldden zich ook de – mannelijke – geleerden met verhalen die ze in de bibliotheek hadden gevonden.

Paradiz, die nogal met haar hoofd in modern gendergedoe zit, wil het doen voorkomen dat de harde kern van de Grimm-sprookjes door vrouwen is aangeleverd en dat het vrouwelijk element ook op veel plaatsen is te herkennen. En, wie weet, misschien heeft ze wel gelijk. Het typische vrouwenwerk (spinnen, weven koken, schoonmaken, bedden opmaken, kinderen krijgen) wordt er vaker en explicieter beschreven dan het mannenwerk. En je kunt je inderdaad niet goed voorstellen dat mannen bij de haard van de herberg eindeloos doorbabbelen over de goudblonde haren van een beeldschone prinses, gestoken in een schitterend gewaad geweven van de zachtste zijde.

Wat de buitenstaander die de serie bizarre sprookjes vandaag de dag doorneemt vooral opvalt, is dat ze zo stads zijn. Het merendeel van de verhalen speelt zich af op het platteland (want daar woonde het Volk dat in de Romantiek zo hoog stond aangeschreven), geregeld worden er uitstapjes gemaakt naar de vrije natuur, maar het lijkt wel of de vertellers geen flauw idee hebben van wat zich daar allemaal afspeelt. Dat ze ervan uit gaan dat de bossen altijd vol rovers en verscheurende dieren zitten, altijd diep en donker zijn maar toch ongekend rijk aan vogels en bloemen, dat wil je nog wel voor lief nemen. Het decor mag best een beetje schilderachtig zijn.

Maar wie er eens goed voor gaat zitten komt om de twee of drie sprookjes wel bewijzen van plattelandsonkunde tegen. Bronnen liggen altijd in het bos en zijn zonder uitzondering diep: er verdwijnen ballen en bekers in en het wemelt er van vissen en slangen. Echte bronnen zijn nooit diep. Een otter is niet bepaald een griezelig dier en een pad eigenlijk ook niet. Een hazelaar is geen boom waar je makkelijk onder plaats neemt. Bloedworst met spekbrokken maak je eerder van een varken dan van een koe. Als de koning op jacht gaat, doet hij dat vast niet met paard en wagen. Een mens kan niet bestaan van het hoeden van één geit, laat staan van een kloek met wat kuikens. Dat de stieren (sic) nauwelijks meer aan de ploeg hoefden te trekken als starker Hans erachter liep is niet waarschijnlijk. Waarom moet een oud omaatje in het bos zoveel worsten koken? Enzovoort, enzovoort.

Het vereist een bepaalde instelling en vaardigheid om de verhalen stuk voor stuk op plattelandskennis te toetsen, maar wie het onder de knie heeft, leest de sprookjes voortaan met andere ogen. Bijvoorbeeld Hänsel und Gretel. Dachten de Grimms echt dat arme mensen diep in het donker bos bomen wilden en móchten kappen? En hoe zouden ze die bomen hebben thuisgekregen? Zouden de broodkruimeltjes die Hänsel strooide werkelijk zijn opgegeten door de ‘duizenden’ vogels die in het bos rondvliegen? (Het was herfst.) Hoe komt een oud vrouwtje in het bos aan verse melk? En zou dat vrouwtje brood bakken in een oven waar de vlammen nog uitslaan? Na 200 jaar kom je tot de pijnlijke conclusie dat er meer onzin staat in Hans en Grietje dan de Grimms waarschijnlijk zelf door hadden.

    • Karel Knip