Allemaal dankzij Draghi

Alle doemscenario’s ten spijt is dit jaar de euro niet gevallen. Niemand heeft het nog over een ‘Grexit’. Hoe keerde het vertrouwen van de markten terug? Zeven woorden van ECB-president Draghi waren het keerpunt.

Vorig jaar rond deze tijd was George Papandreou nog premier van Griekenland. Hij beloofde eerst een referendum over de euro en blies dat vervolgens, na een woedend ultimatum van Angela Merkel en Nicolas Sarkozy, weer af. Vorig jaar december was de dreiging van een nieuwe kredietcrisis zo acuut, dat de ECB besloot om banken in de eurozone bijna 500 miljard euro aan spotgoedkope leningen te verstrekken. Eveneens in december liepen pogingen om tot in China extra geld voor het euro-noodfonds te vinden, voor de zoveelste keer mis. En tijdens een dramatische Europese top, vlak voor Kerst, botsten eurolanden die meer begrotingsdiscipline in het Europese verdrag wilden verankeren op een keihard Brits nee.

Wat een verschil een jaar al niet kan maken. Weinig betrokkenen bij de grootste economische en politieke crisis in Europa sinds de Tweede Wereldoorlog zullen 2012 als een succesjaar omschrijven. Daarvoor is de rust te fragiel en zijn de risico’s nog te talrijk. Maar vergeleken met een jaar geleden is het een stuk minder turbulent. Voor het eerst sinds de crisis Europa vier jaar geleden trof, hebben de politici het initiatief van de financiële markten overgenomen. Dat slaat voorzichtig aan.

Een paar voorbeelden? Europese regeringsleiders besloten dit najaar dat Griekenland in de eurozone blijft. Beleggers maakten daaruit op dat dit ook voor Spanje zal gelden. Een jaar nadat ze Spanje massaal verlieten, keren ze voorzichtig terug naar het land. Ook Italië profiteert ervan dat niemand het meer over een ‘Grexit’ heeft: het land sloot leningen af tegen de laagste rente in twee jaar. Eurolanden hebben verder besloten om hun lot niet langer te laten afhangen van onwillige landen zónder euro, zoals Groot-Brittannië of Tsjechië. Dan maar een Europa van twee snelheden. Ze hebben een stapsgewijs meerjarenplan opgezet voor méér financieel-economische, politieke en zelfs sociale eenheid in de toekomst. Ze hebben de begrotingsdiscipline geregeld in een apart verdrag. Op dezelfde manier hebben ze Europees bankentoezicht op poten gezet. Ook dat was vroeger ondenkbaar.

Al deze besluiten zorgen ervoor dat Europa politiek stabieler is dan vorig jaar rond deze tijd. Er is minder drama, er wordt minder gespeculeerd over onheilsscenario’s. Griekenland kreeg deze week zowaar een upgrade van Standard & Poor’s, een van de gevreesde kredietbeoordelaars. Bij een persconferentie over een niet onverdeeld gunstig ‘voortgangsrapport’ over Griekenland – een gelegenheid waarbij het de afgelopen drie jaar altijd zwart zag van de cameraploegen – kwam deze week in Brussel vrijwel niemand opdagen.

Op de decembertop, vorige week, konden regeringsleiders het zich permitteren om geen harde besluiten te nemen. De deadlines voor dit jaar waren gehaald. Ze spraken wat nieuwe deadlines af voor volgend jaar en discussieerden daarna over de definitie van de ‘contractuele arrangementen’ die Bondskanselier Merkel voor alle eurolanden wil. „Zo low key heb ik het lang niet meegemaakt”, zegt een ambassadeur.

Toch zijn hij en veel betrokkenen er zeker van dat al deze besluiten van Europese politici in 2012 hun uitwerking deels, misschien zelfs grótendeels, hadden gemist als Mario Draghi niet op 26 juli in Lancaster House in Londen, voor een zaal vol beleggers en bankiers, zeven magische woordjes had uitgesproken. Draghi was net negen maanden president van de Europese Centrale Bank. Hij vertelde zijn gehoor dat de ECB alles zou doen wat binnen haar mandaat mogelijk was om de euro te redden. Zulke dingen had Draghi eerder gezegd. Maar toen kwamen de zeven woorden, bijna achteloos er achteraan: „En geloof me, het zal genoeg zijn.”

Wat Draghi precies bedoelde, wist niemand. Niet in de zaal. Niet in regeringskringen in andere Europese hoofdsteden. En kennelijk zelfs niet binnen de ECB in Frankfurt. Hintte Draghi dat hij weer staatsobligaties van eurolanden ging kopen, zoals in 2010 en 2011? Velen vermoedden het, want die geruchten gingen al weken. Draghi ging er niet op in. Maar ook zonder verduidelijking was het effect magistraal. De woorden werden meteen over de wereld verspreid via persbureaus, die Draghi’s toespraken vaak van tevoren onder embargo krijgen. Beleggers reageerden onmiddellijk. Die middag begonnen de rentes op Spaanse en Italiaanse staatsleningen gestaag te dalen. Een tendens die tot vandaag de dag voortduurt – zozeer zelfs, dat een bank als Goldman Sachs klanten aanraadt om weer in de zuidelijke eurozone te investeren. Vorig jaar luidde het advies nog: wegwezen.

Volgens Alain Bokobza van Société Générale was Draghi’s speech in Londen „het keerpunt van 2012, geen twijfel mogelijk”. Draghi kreeg de financiële geest die de euro bijna kapotmaakte, weer in de fles. Om te begrijpen hoe hij dat deed en op wat voor cruciaal moment, moet je terug naar het begin van 2012.

Het jaar begon met drie maatregelen, waarmee Europese leiders probeerden de eurozone in rustiger vaarwater te brengen. In februari pompte de ECB voor de tweede keer zo’n 500 miljard in de banken. In maart tekenden eurolanden hun verdrag over begrotingsdiscipline, dat de Britten in december in EU-verband hadden verhinderd. Ook in maart kreeg Griekenland een tweede pakket leningen. Deze drie maatregelen moesten iedereen weer vertrouwen geven dat eurolanden „alles doen wat nodig is voor de stabiliteit van de euro”. Het werkte, zoals zo vaak, maar héél eventjes. De Griekse regering viel, er kwamen verkiezingen. Alle hervormingen vielen stil.

Griekenland miste daardoor alle deadlines die het met de trojka had afgesproken. Dat betekende dat het Griekse herstel langer ging duren. En dat er meer geld bij moest. Tegen de tijd dat een tweede verkiezingsronde in juni eindelijk een nipte overwinning voor de pro-Europese alliantie bracht, was een aantal euroministers van Financiën klaar met de Grieken. „Vijf, zes ministers vinden dat ze maar uit de eurozone moeten”, meldde een hoge Europese functionaris begin juli, gealarmeerd.

De hele eurozone dobberde in die dagen maar wat rond. Ook Frankrijk had verkiezingen. Dat betekende dat het land nauwelijks geleid werd van april tot juli, terwijl dat hard nodig was. Dit stelde het leiderschap in de eurozone, dat drijft op de Frans-Duitse as, tijdelijk buiten werking. Bovendien dreigden er in Spanje banken onderuit te gaan. Dat waren nationale banken, die slecht waren beheerd of gedwongen waren om de regering goedkope leningen te geven omdat beleggers te veel rente vroegen. Nu moest de Spaanse staat hén overeind houden. Maar daardoor zou de schuld van het land stijgen, wat negatief afstraalt op de hele eurozone. Negen eurolanden hadden net een afwaardering gekregen.

Ministers bleven door elkaar heen toeteren. Eurogroep-voorzitter Jean-Claude Juncker gelastte ziedend een persconferentie af toen de Oostenrijkse minister Maria Fekter, een flapuit, uit een ministersvergadering liep om de pers vast te vertellen wat daarbinnen gebeurde. Een financiële functionaris uit een euroland klaagde in die dagen over zíjn minister, die elk rationeel besluit leek te dwarsbomen met emotionele politieke retoriek: „Alsof je een pudding aan de muur probeert te nagelen.”

Eind mei grepen Draghi en Europees president Herman Van Rompuy in. Althans, dat probeerden ze. Met Juncker en Commissie-voorzitter Barroso schreven zij een rapport met „vier bouwstenen” voor de toekomst van de eurozone: bankunie, economische unie, begrotingsunie en politieke unie. Premier Mark Rutte, die instinctief vrijwel alles afwijst wat riekt naar meer Europa, veroordeelde deze „vergezichten” meteen. Niettemin riep de Europese top in juni op om dringend een bankunie op te zetten in de eurozone. Het kon niet anders. De „wurgende link” tussen banken en staten moest worden doorgeknipt. Die twee trokken elkaar – zie Spanje – de afgrond in. Eind 2012 moest stap één worden gezet: Europees bankentoezicht door de ECB. Dit was baanbrekend.

Maar na een paar uur was er alweer gekrakeel. De top duurde, zoals zo vaak, tot het ochtendgloren. Om 5 uur vertelde de Italiaanse premier Monti journalisten dat het euro-noodfonds binnenkort Italiaanse staatsobligaties zou opkopen. Zijn Spaanse collega Rajoy zei dat het fonds ook Spaanse banken zou herkapitaliseren. Om 8 uur begonnen de Finnen, Nederlanders en Duitsers de pers alweer te bellen – om te ontkennen dat dit ooit was afgesproken. Zij hadden een totaal andere interpretatie. Door dit dispuut, dat trouwens nóg speelt, werd alle winst die de top had kunnen boeken teniet gedaan. Geen wonder dat rentes van Spanje en Italië in juli verder opliepen. 2012 kan de geschiedenis in als het jaar waarin mensen ’s ochtends de rentetarieven bijna net zo trouw raadpleegden als het weerbericht.

Toen kwam Draghi in actie. Hij wilde dat de ECB weer staatsobligaties ging kopen. In het begin van de crisis had ze dat ook gedaan, om de rente laag te houden. Als tegenprestatie moesten landen bezuinigen en hervormen. Maar de ECB was daar in 2011 mee gestopt: de Italiaanse premier Berlusconi bleek alle beloftes meteen vergeten zodra zijn rentes gingen dalen. Door de politieke chaos in juli 2012 en de reële kans dat de boel kapot kon vallen, begon Draghi opnieuw scenario’s te bestuderen voor obligatieaankopen – ditmaal in ruil voor spijkerharde garanties van landen die ervan profiteerden.

Draghi had dit met niemand overlegd. Pas na zijn toespraak in Londen werden Merkel en de nieuwe Franse president François Hollande ingeseind. Hij gokte erop dat de situatie zo penibel was, dat ze hem zouden steunen. De enige van wie hij forse tegenstand verwachtte, was Bundesbank-president Jens Weidmann. Die nodigde hij meteen uit op de koffie. Ze werden het niet eens. Maar Draghi kreeg genoeg indicaties van wat hij moest doen om Weidmann toch het idee te geven dat hij goed werd gehoord in de ECB-toren. En zo zette Draghi in augustus het OMT-plan in elkaar (Outright Monetary Transactions), dat hij begin september aankondigde: de ECB zou alleen obligaties kopen van landen die eerst naar het noodfonds waren gestapt en hervormingen doorvoerden onder streng toezicht van eurolanden, ECB en IMF. De ECB heeft nog niet één staatsobligatie opgekocht, maar de rentes blijven dalen.

Een week later keurde het Duitse Constitutionele Hof het euro-noodfonds goed en wonnen middenpartijen in Nederland de verkiezingen. Mede daardoor kan de trein voorlopig rijden op de rails die Draghi legde. De hysterie op de markten is weg. Politici zijn minder opgejaagd. Besluiten die ze afgelopen halfjaar namen, hebben ineens impact: van nieuwe leningen voor Griekenland tot Europees bankentoezicht. Nu moeten ze in maart beslissen over een Europees stelsel om bankfaillissementen te voorkomen of (in nood) af te handelen. In 2013 moeten ze ook de nationale depositogarantiesystemen harmoniseren. Dat klinkt technisch, maar politiek zijn dit enorme stappen. Als Duitsland geen verkiezingen zou hebben in september, was het ongetwijfeld verder gegaan.

Er zijn nog veel beren op de weg – niet alleen de Italiaanse verkiezingen en de onvermijdelijke volgende Griekse noodlening, maar ook het feit dat economische groei uitblijft. Zonder groei is het voor landen bijna onmogelijk om de staatsschuld in toom te houden, zonder de welvaartsstaat geweld aan te doen. Sociale onrust smeult in veel landen. Dat kan zich tegen de ‘tirannie der begrotingsdiscipline’ gaan keren en tegen Duitsland, dat die aan de eurozone heeft opgelegd. Merkel lijkt te begrijpen dat het tijd wordt voor wat ruimhartigheid: zij neemt ineens de term ‘Europese solidariteit’ in de mond en is zelfs begonnen over een apart begrotinkje voor de eurozone. Maar vóór de Duitse verkiezingen wil ze daar niet mee over de brug komen.

Sommigen waarschuwen voor zelfgenoegzaamheid. Want er is nóg een groot verschil tussen december 2011 en december 2012. Vorig jaar kwam alle druk van de financiële markten. Nu die is weggevallen, komt de druk van Europese instellingen. De instellingen worden minder gehaat dan de markten, maar geliefd zijn ze zeker niet. De vier presidenten kunnen schrijven wat ze willen in hun rapporten over de toekomst van de eurozone – op de vorige top bleek nog eens dat als Merkel voorlopig geen eurobegroting wil, er voorlopig geen eurobegroting kómt. Dit kan weleens de grootste uitdaging voor 2013 worden. Europese instellingen kunnen veel voorstellen. Maar als regeringsleiders niet willen, gebeurt er niets.