Rocker in harembroek

2012 was het jaar van de rockmemoires. Vooral Britse rocksterren, onder wie de ex-mods Rod Stewart en Pete Townshend, keken terug op hun levens.

Over The Who gaat het verhaal dat de naam van de Londense band het gevolg was van verwarring. Eerst heette de groep van Pete Townshend The High Numbers, schrijft journalist Aad Knikman in (It’s) The Game of the Name, het eerder dit jaar verschenen boek over de oorsprong van popgroepnamen (Boeken 22.6.2012). Maar bij hun optredens in Londense clubs in de vroege jaren zestig zou het publiek steeds hebben gevraagd ‘the who?’ bij het horen van die naam. Daarom besloot de groep zich maar The Who te noemen.

Maar in Who I Am, de memoires van Pete Townshend, blijkt dit verhaal een broodje aap. In het allereerste begin, in 1963, heette zijn groep The Detours. Toen die na de eerste successen aan plaatopnamen toe was, bleek een andere Londense groep al zo te heten. Townshend verzon toen The Hair als alternatief, zijn manager kwam met The Who. Het werd The Who maar dat was een buitengewoon uncoole naam volgens Peter Meaden, de stijlgoeroe van de mods, de Britse subcultuur van jongens in parka’s op scooters die van rhythm ‘n’ blues houden waar The Who uit voortkwam. Dus noemden de vier leden van de groep zich maar The High Numbers om een paar maanden later toch de naam The Who aan te nemen.

Who I Am is een van de vele memoires van oude rocksterren die in 2012 zijn verschenen. Na het grote succes van Life (2010), de memoires van Rolling Stone-gitarist Keith Richards, is er een stroom van rockmemoires op gang gekomen. Vorig jaar kwamen vooral de Amerikaanse subtoppers uit de popmuziek, zoals Steven Tyler, de zanger van Aerosmith, en Sammy Hagar, zanger van onder meer Van Halen, met hun levensverhalen vol sex & drugs & rock ‘n’ roll.

Maar 2012 werd het jaar van vooral Britse sterren uit de jaren zeventig die nu de zestig zijn gepasseerd en de behoefte hebben om terug te kijken op hun roerige levens. Van gitarist Jimmy Page verscheen onlangs Conversations with Jimmy Page, waarin hij vooral praat over zijn gloriejaren met Led Zeppelin omstreeks 1970. Eerder al publiceerde de Canadees Neil Young een babbelboek (Boeken, 05.10.2012) over zijn leven. En Pete Townshend is niet de enige mod met memoires: ook Rod ‘the Mod’ Stewart kwam met zijn autobiografie, Rod.

Rod. The Autobiography is precies wat je van memoires van een oude rockster mag verwachten. Opvallend genoeg zonder ghostwriter vertelt Stewart (1945) met veel vaart het ene na het andere smeuïge verhaal over hoe hij als zoon van een Londense loodgieter na jarenlang ploeteren halverwege de jaren zeventig een wereldster werd. Uitgebreid en met aanstekelijk plezier schrijft hij over de met drank overgoten tournees van The Faces, de groep waarvan hij begin jaren zeventig, naast zijn succesrijke carrière als soloartiest, de zanger was. The Faces is de enige groep uit de geschiedenis van de popmuziek die bij optredens een bar op het podium had staan, schrijft Stewart trots. Zo konden ze gezellig drinken als drummer Kenny Jones aan een van zijn lange solo’s begon.

Patser

In Rod blijkt Stewart een patser, verzot op sportauto’s, protserige huizen en blonde. langbenige vrouwen als Britt Ekland, de Zweedse filmster met wie hij twee jaar samenleefde. Maar hij is wel een innemende patser, met zelfspot bovendien, die om de paar bladzijden een opmerking maakt waar om te grinniken valt.

In het hoofdstuk over de punk, toen groepen als The Sex Pistols hem en andere sterren als old farts beschouwden, schrijft hij dat hij toen als vadsige veelverdiener ook wel een ‘schop voor zijn kont verdiende’. Een schop voor zijn haremkont, wel te verstaan, want hij was toen in zijn Rudolf Nurejev-periode en droeg harembroeken, zilveren enkelbanden en veel sjaals. Elke man zou zichzelf overigens een Nurejev-periode moeten gunnen, voegt hij er aan toe.

Over zijn drank- en drugsgebruik merkt hij op dat vrouwen zijn redding waren. Als een van de grote Casanova’s van de popmuziek keek hij altijd uit naar nieuwe, blonde vrouwen en versieren en overvloedig drank- of drugsgebruik sluiten elkaar nu eenmaal uit, schrijft hij.

Uiteindelijk komt Stewart tot de conclusie dat al die prachtige vrouwen hem niet gelukkig maakten. Zelfs toen hij met Ekland, ‘de mooiste vrouw ter wereld’, was, was hij voortdurend rusteloos op jacht naar andere prooien. Dat bracht hem keer op keer in problemen, want nooit wist hij zijn relaties op een fatsoenlijke manier te beëindigen, bekent hij. Altijd was hij te laf om zijn ex-liefdes te vertellen dat hij een ander had. Inzake liefde vindt hij zichzelf dan ook asshole .

De andere mod, Pete Townshend (1945), noemt zichzelf zelfs een paar keer een complete asshole in zijn voortreffelijk geschreven Who I Am. Hij blijkt dan ook veel meer een tobber dan Stewart: niet alleen worstelde hij vele jaren met de onmogelijke combinatie van een gezinsleven – met zijn eerste vrouw kreeg hij drie kinderen – en een rock ‘n’ roll-bestaan vol vriendinnen, drank en vernielde hotelkamers, maar ook had hij grote muzikale pretenties. De plaat die zijn leven veranderde is er niet een van een of andere oude Amerikaanse bluesman, maar een van Tsjechische makelij: The Masters of Baroque, met onder meer ‘The Gordion Knot Untied’ van Henry Purcell.

Zeker in de beginjaren van The Who was Purcells invloed in de muziek van The Who niet hoorbaar. De groep werd vooral bekend doordat Townshend zijn power chords met molenwiekende armen voortbracht, het krankzinnige Who-lid Keith Moon speelde als de drummer van The Muppets, en alle groepsleden aan het eind van hun optredens hun instrumenten aan barrels sloegen. Maar al beschouwde de Londense ex-kunstacademiestudent Townshend de optredens als ‘zelfdestructieve performancekunst’, na een paar jaar wilde hij toch meer dan een woeste rock.

Goeroes

Zoals zo veel tijdgenoten, onder wie The Beatles, kreeg Townshend belangstelling voor Indiase goeroes en veranderde hij in korte tijd van een artistieke mod in een aanhanger van Meher Baba die een groots, spiritueel kunstwerk wilde maken. Dat streven leidde in 1969 tot Tommy, de dubbel-elpee die wel wordt beschouwd als de eerste rock opera en Townshend dankzij verfilmingen en omzettingen in musicals miljonair maakte.

Maar nog altijd was hij niet tevreden. Nadat hij met Tommy en lange wereldtournees van The Who een van de grote roergangers van de rock was geworden, wierp hij zich op Powerhouse, een poging om met hulp van het publiek een collectief muziekstuk te componeren. Het stuk mislukte, maar maakte hem wel tot een voorloper van de interactieve muziek die in de beginjaren van het internet kortstondig opgang maakte.

Na Powerhouse bleef Townshend zoeken naar nieuwe wegen, binnen én buiten de muziek. In de jaren tachtig werd hij redacteur bij de Londense uitgever Faber & Faber en publiceerde de verhalenbundel Horse’s Neck. Maar in zijn persoonlijke leven bleef hij een asshole, schrijft hij. In de jaren negentig probeert hij er in langdurige therapieën achter te komen hoe dat kwam. Heel veel schrijft Townshend er niet over, maar herhaaldelijk noemt hij zijn verlatingsangst. Die zou terug te voeren zijn op, onder meer, zijn jeugd, toen zijn moeder hem als 5-jarige langdurig bij zijn grootmoeder stalde. Die bleek een nare heks, die hem waarschijnlijk – hij kan het zich niet precies herinneren – heeft blootgesteld aan seksueel misbruik door een man die hij ‘oom’ moest noemen.

Door het misbruik werd Townshend niet alleen een gemankeerd mens, maar raakte hij als 58-jarige rockmiljonair die met zijn tweede, veel jongere vrouw aan een rustig leven leek begonnen, toch nog in grote problemen. Een van de vele liefdadigheidsactiviteiten waar hij zich op latere leeftijd mee bezig hield, was de strijd tegen kindermisbruik. In zijn zoektocht op internet naar de banden tussen credit card-maatschappijen en aanbieders van kinderporno, stuit hij op kinderpornosites. Dat wordt opgemerkt door de FBI, die in 2003 de Britse politie de namen overhandigt van 7.000 Britten die kinderpornosites hebben bezocht. Townshend wordt gearresteerd, zijn computers worden in beslag genomen, journalisten van de tabloids belegeren zijn woning.

De zaak loopt met een sisser af: Townshend komt er af met een waarschuwing. Hij blijkt alleen de kinderpornosites te hebben bezocht, maar niets tegen betaling te hebben gedownload. Het rustige leven, met het schrijven van memoires als belangrijkste bezigheid, kan beginnen.