Op een dag zal de wereld vergaan

Sterrenkundige Heino Falcke houdt zich bezig met zwarte gaten. Zijn onderzoek daarnaar is gelauwerd. Maar hij is ook gelovig. „God was er vóór de oerknal.”

Heino Falcke. Nijmegen 10 12 2012. Fotografie: Mieke Meesen

Wat is er achter de sterrenhemel? Heino Falcke (46) lag als jongetje wakker van die vraag. Je kunt dan, als je wat ouder bent, twee dingen doen: je gaat theologie studeren of je kiest voor sterrenkunde. Falcke deed dat laatste. Maar alles wat hij inmiddels weet over het heelal – of over de miljarden heelallen die er zijn – heeft zijn geloof in God niet doen afnemen. Integendeel. Wij mensen zijn een natuurkundige verzameling protonen en het is de Almachtige die ons bezieling geeft. Dat is Falckes stellige overtuiging.

De Nijmeegse sterrenkundige woont nog steeds in het dorp waar zijn familie al driehonderd jaar is gevestigd. In Frechen, vlakbij Keulen. Daar is hij op onregelmatige basis lekenpredikant. Over anderhalve week, op de avond van 31 december is het de topwetenschapper die in de dorpskerk de preek verzorgt. Vorig jaar won hij de NWO-Spinozapremie (2,5 miljoen euro), de hoogste Nederlandse onderscheiding in de wetenschap, voor baanbrekend onderzoek naar zwarte gaten. Het stond in het middelpunt van de belangstelling. Leuk, „maar het moet wel kloppen”. Falcke wil geen koning zijn, dat podium is voor die ander. Dit is wat hij weet van het leven – tot nu toe.

„Ik geloof dat de ster van Bethlehem echt is waargenomen. We weten alleen niet wat het was. Een komeet? Een supernova-explosie of maar een bepaalde constellatie?” Falcke bladert door de bijbel op zoek naar Mattheus 2. „Hier staat het: ‘We hebben zijn ster zien opgaan en zijn gekomen om Hem eer te bewijzen.’ Door sterrenkundigen wordt nog altijd gezocht naar een verklaring voor de ster van Bethlehem. Dat Jezus werkelijk heeft geleefd op aarde, staat voor mij vast. Ruim dertig jaar na zijn dood zijn de eerste evangeliën geschreven waarin hij voorkomt. Toen waren er nog mensen in leven die de verhalen zelf hadden beleefd. In Jezus wordt God mens – dat is Kerst. Jezus representeerde alles wat God eigenlijk met ons voorhad, zoals hij wilde dat mensen zouden zijn. Jezus offerde zichzelf voor een ander, dat is de ultieme vorm van liefde. Hij had ook kunnen weglopen, of vechten, zoals Petrus deed.”

„God was er al voor de oerknal. Hij staat los van de tijd en de ruimte. Ik kan niet wetenschappelijk bewijzen dat God bestaat. Dat Hij niet bestaat kun je ook niet bewijzen, maar beleven kun je Hem wel. Ik zie de oerknal als een onderdeel van de schepping, als een gewild iets. Als jongen twijfelde ik tussen natuurkunde en theologie. Beide houden zich bezig met fundamentele vragen. Newton was ook een theoloog. Vroeger was natuurkunde zelfs onderdeel van de studie theologie. Het idee dat je met natuurkunde alles kunt verklaren, klopt niet – zeker niet als het om relaties gaat. Ik kan niet tien keer een langdurige relatie met een vrouw aangaan. Ik kan geen tien levens leiden. Ons bestaan is niet alleen gebaseerd op natuurkundige wetten. Wij mensen zijn bezield, we kunnen voelen en denken. We zijn meer dan een verzameling protonen en genen.”

„Ik ben nooit tevreden. Ik wil altijd weten wat er achter de dingen zit. Hoe werkt een lampje? Hoe werkt een ster? Om dat te kunnen begrijpen, moet je iets weten van natuurkundige wetten. Dan kom je uit bij sterrenkunde. Ik ga tot aan de grens van wat we kunnen weten. Maar God kan ik niet verklaren. Om iets volledig te kunnen verklaren, moet je groter zijn dan hetgeen je verklaart. Wil je alles in het heelal precies berekenen en voorspellen dan moet je een computer bouwen die berekent wat alle quantumdeeltjes gaan doen, en moet je de toekomst kunnen voorspellen. Maar je kunt geen computer bouwen die groter is dan het heelal. Zo is het ook met God. Hij is almachtig en groter dan wat ook. Als je dat weet, erken je dat je als mens er maar een klein stukje van kunt begrijpen. Ik doe dagelijks onderzoek naar hoe de wereld in elkaar zit, maar van de meeste dingen snap ik nog steeds niks.”

„Zwarte gaten zijn de meest exotische plekken in ons heelal. De tijd lijkt daar op te houden. Het is een deel van onze ruimte dat, net als mijn woonkamer, echt bestaat. Maar het is afgesloten voor onze waarneming. Net als de oerknal. Je weet niet wat er daarvóór is geweest of in dit geval wat daar áchter is. Met ons huidige begrip van de natuurwetenschappen zien we geen kans om onderzoek te doen ín zwarte gaten. We werken nu aan een experiment waarbij we een foto van een zwart gat proberen te maken met behulp van radiotelescopen. Het lijkt erop dat dat gaat lukken.”

„Ik wil dingen doen die niemand anders ooit deed. Buitenaards leven ontdekken, daar droom ik van. Ik acht de kans klein dat we het ooit vinden, maar ik acht het niet onwaarschijnlijk dat het er is. Er zijn zo veel planeten. Ze zijn echter zo ver weg – net als zwarte gaten – dat we geen technologie kunnen bedenken om er live een kijkje te nemen. Zelfs als we met de snelheid van het licht zouden reizen heb je duizenden, misschien zelfs miljoenen jaren nodig om er te komen. Welk mens wil zo lang leven?”

„Ik zet graag de deur in mensen open. Zodat ze een beetje van hun binnenste naar buiten laten glippen. Als ik preek in onze dorpskerk, probeer ik mijn toehoorders te raken. In elk persoon zit een fantastisch mens, maar we worden gehard door het dagelijks leven en hebben een schil om ons heen. We zijn bang om teleurgesteld te worden. Lukt het mij om mensen met elkaar en met God in contact te laten komen, dan heb ik het gevoel dat ik echt iets heb bereikt. Ik ben altijd actief geweest in de kerk van Frechen. Mijn moeders familie woont al driehonderd jaar in het dorp. De familie van mijn vader komt uit Oost-Duitsland en heeft zich door het hele land en daarbuiten verspreid. Ik vertegenwoordig beide kanten. Reis veel, heb twee jaar met mijn gezin in de Verenigde Staten gewoond. Maar ik kom altijd terug. ‘Is dat Frechen een heilige plek voor jou ofzo?’ vroeg de directeur die me in Amerika wilde houden. Zoiets, ja.”

„Het is niet goed als enkel het loflied op je wordt gezongen. ‘Gelukkig wie nederig van hart zijn’, staat in de Bergrede. Sinds ik de Spinozapremie heb gewonnen, sta ik veel in de belangstelling – dat hoort bij het vak. Soms heb ik daar moeite mee. Na alle waardering en het geld heb ik echter geen moment het gevoel gehad: nu kan ik rustig slapen. Ik moet juist nu laten zien dat ik het waard ben. In het verleden behaalde resultaten bieden wél een garantie voor de toekomst… Waar ik moe van word, is van de vraag welk nut fundamenteel onderzoek heeft. Sinds het vorige kabinet moet ik me vaak verantwoorden. De drive van een onderzoeker is zijn nieuwsgierigheid. Waarom ontdekte Columbus Amerika? Omdat het kon. Een bergbeklimmer antwoordde eens op de vraag waarom hij een bepaalde berg beklom: ‘Omdat-ie er is’. Wij maken kennis beschikbaar die er nog niet was.”

„Op een dag zal de wereld vergaan, dat staat vast. De Bijbel maakt er ook al melding van. Maar we hebben waarschijnlijk nog tijd. Ik ben niet bang voor de dood. Het laatste wat mijn oma zei voor ze stierf was: ‘Ik ga naar huis’. Zo voel ik het ook. Ik heb geen beeld van het leven na de dood, maar ik denk dat het gezellig is. Dat je er samen bent met anderen. Waarom zou het leven na de dood minder spannend zijn dan het leven nu? Die gedachte geeft me rust. Het idee dat ik niet per se alles hoef te doen in dít leven.”