Opinie

    • Frits Abrahams

Niet knijpen

Zo’n staaroperatie stelde niks voor, fluitje van een cent, wist iedereen me te vertellen. Lensje eruit, lensje erin. Ik wilde het graag geloven, maar was er toch niet helemaal gerust op, want ik ken mezelf, althans, in dit opzicht. Ik heb een hekel aan gepeur in mijn oog, reden waarom ik nooit contactlenzen heb willen dragen.

Ik wist ook dat bij zo’n operatie het gepeur een onontkoombare noodzaak is. Er gebeurt nogal wat in zo’n oog. De assistent liet het me voor de operatie via een wandkaart even in geuren en kleuren zien. „Het hoeft niet, sommige mensen willen het liever niet zien”, zei hij nog. Ik hield me natuurlijk groot en zag een soort oogverhuizing. Staar is een vertroebeling van de lens in het oog. De enige remedie is vervanging van de oorspronkelijke lens door een kunstlens. De arts maakt een klein sneetje in het oog, de lens wordt verpulverd en opgezogen en vervangen door een vouwbare kunstlens. De wond sluit door een klepmechanisme vanzelf.

Alles gebeurt onder plaatselijke verdoving, in deze oogkliniek met oogdruppels. Daarmee kom ik op een voor mij even vervelend als onvermijdelijk thema: de oogdruppel. De dag tevoren moest ik thuis al zes stuks mijn oog in druppelen. We kunnen dit het eerste gepeur noemen. Het leek me niet verstandig als ik er zelf aan begon, dus delegeerde ik deze taak aan mijn vrouw, nooit voor een kleintje vervaard.

Toen trad al snel mijn grote zwakte op dit gebied aan het licht. Mijn oog weert de penetratie door de druppel af door zich bliksemsnel als een oester te sluiten. De druppel komt op de wimpers terecht en glijdt als een traan omlaag. Het is alsof het oog de indringer als een verkrachter ervaart en hem uit alle macht op afstand probeert te houden.

„Hou dat oog open”, riep mijn vrouw telkens, maar het was al te laat. Het voltrok zich geheel buiten mijn wil om, het ooglid sloot op eigen initiatief het luik zodra de druppel zich vadsig uit het flesje liet vallen. Alleen met veel geduld kon mijn vrouw toch nog wat vocht naar binnen smokkelen.

Gelukkig trof ik de volgende dag in de wachtkamer van de oogarts een 81-jarige mevrouw, die thuis ook met de druppels had geworsteld. „Mijn vrouw kon me helpen”, zei ik. „Ik heb geen man”, zei ze, „alleen al daarvoor zou ik er een willen hebben.”

Thuis ging het nog om druppels, eenmaal in de operatiestoel voelde het aan als soort douche die af en toe over mijn ogen spoelde. De arts moest me een extra dosis verdovende druppels geven omdat ik te veel ‘kneep’ – vaktaal voor het steeds weer sluiten van het oog, iets wat het kreng zelfs tijdens de operatie lukte. „Niet knijpen!”, riep de arts dan. Maar het probleem bleef dat ik niet zelf kneep, maar geknepen wérd. Niet door de arts en zijn assistenten – allemaal vriendelijke, geduldige mensen – maar door dat verdomde oog.

„Het was wat lastiger dan normaal”, zei de arts na afloop. „Doordat u diepliggende ogen heeft én door dat knijpen.” Er klonk geen verwijt door, het was een zakelijke constatering. Toch schaamde ik me. Zulke mensen doen zó hun best voor je en jouw voornaamste reactie is een stupide knipoog.

Ik mocht naar huis als ik beloofde de komende drie weken elke dag zes druppels tot me toe te laten om infectie te voorkomen. Zes! Het klonk als een vonnis.

Over een tijdje moet mijn andere oog eraan geloven. Alleen al bij die gedachte doet het af en toe spontaan een oogje dicht.

    • Frits Abrahams