Naar Wenen, om te leven!

Een schrijver besluit zijn eigen ontschrijving in gang te zetten. Het achtste boek van Max Niematz is een bizar verdwaalverhaal.

De eenzame schrijver, hij ploetert voort. En zeker de eenzame schrijver die niet zo veel boeken verkoopt. Die dreigt in de literaire laagconjunctuur zomaar door zijn uitgeverij aan de dijk te worden gezet. P.C. Hooftprijswinnaar H.C. Ten Berge moest zijn laatste roman in eigen beheer uitgeven, schrijver Peter Drehmanns klaagde twee weken geleden uitgebreid zijn nood: zijn laatste manuscript was onbarmhartig afgewezen door Querido. Uitgevers lieten de echte literatuur lopen voor kekke debuutjes van jonge auteurs als Drehmanns eigen echtgenote Maan Leo, zei hij. Onzin, counterde de uitgeverij: Drehmanns boek was gewoon niet goed genoeg.

Dat is het halve antwoord, want jarenlang was Drehmanns’ niveau hoog genoeg om door de ballotage van de grote uitgevers te komen. Maar in schrale tijden ligt de literaire lat hoger: een auteur moet of goed verkopen of heel erg goed zijn. En die goede schrijvers worden gedwongen na te denken over hun publieksbereik, hun artistieke waar alleen maar over de muur gooien, is onvoldoende. En daar schrijven ze dan weer over, zoals Peter Drehmanns deed in zijn laatst verschenen roman De schrijver en zijn meisjes (2011). En zoals Max Niematz doet in zijn vorige maand verschenen achtste boek In de schaduw van toekomstige rampen.

Archetype

Niematz hoofdpersoon is Hendrik Cornelis Hoogcarspel, een auteur van de oude stempel. Op de eerste pagina van de roman wordt Hoogcarspel geïntroduceerd als het archetype van de wereldvreemde literator. Hij zit thuis een Schopenhauer te lezen, Die Welt als Wille und Vorstellung. ‘Ook niet iets waar je vrolijk van werd. Een duur boek, dat wel – dundruk, een exclusieve uitgave […] Het papier was zo dun dat het, als je de bladzijde omsloeg, een bijna geluidloze zucht liet horen, licht als de vlucht van een zwaluw. Mooi gezegd, dacht hij.’

Hoogcarspel – bijna veertig, op de drempel van de midlifecrisis dus – is een cerebraal schrijver, een die lang van zichzelf heeft gedacht dat hij geen lezers nodig heeft ter rechtvaardiging van zijn bestaan. Een wandelend cliché van hoe een zich onafhankelijk wanend kunstenaar moet zijn.

Wanneer hij een brief krijgt van een Haagse lezeres, mevrouw Pistorius, is hij dan ook eerst wantrouwig. Het zal wel zo’n chique leesclubtut zijn, iemand die eerder schrijvers verzamelt dan boeken. Maar toch zwicht hij voor de verleiding van het publiek – al bestaat het dan slechts uit één Haagse dame.

Er ontstaat een correspondentie, bezoeken aan huis en Hoogcarspel betrapt zichzelf erop dat hij zich steeds meer op deze ene lezeres gaat richten. Het maakt hem niet productiever, ook al niet omdat zij hem ertoe aanzet om de Harense psychiater Poelgeest (what’s in a name?) te bezoeken. Niet om zijn geest uit de doeken te doen, maar zijn laatste roman, Doelloosheid.

Doelloosheid is ook waar Hoogcarspel uitkomt als hij moet uitleggen waarom hij schrijver is geworden. Hij begon met zich niet willen onderwerpen. ‘Je denkt erover na, vindt mogelijke verklaringen, noteert ze – vóór je het weet is een en ander uitgegroeid tot een roman en ben je „schrijver”.’ Zo wordt het schrijverschap klassiek gedefinieerd , zonder dat er een lezer in beeld is. In de praktijk van Hoogcarspel ligt het niet zo eenvoudig. Op het moment dat mevrouw Pistorius, zijn lezer, zich van hem heeft afgewend, wil hij niet meer schrijven. Hij wil leven.

Hij leest over Napoleons generaal Murat, die ook wel wist dat een aanval op Wenen een tactische miskleun zou zijn, maar die zo werd verleid door de schitterende aanblik van de stad in de zon dat hij niets anders kon dan deze proberen te veroveren. Het zou zijn ondergang worden – en die van zijn baas.

Door een gelijksoortige hysterische fascinatie bevangen rijdt Hoogcarspel naar Wenen, de stad die de krochten van zijn ziel weerspiegelt. Het is er onrustig en onoverzichtelijk, en mooi ironisch beschrijft Niematz hoe graag Hoogcarspel zich thuis wil voelen, in de stad, in zijn pension. ‘Nee, Hendrik kon de Keizersstad nog niet de zijne noemen, maar dat klopje op zijn kamerdeur kwam hem al vertrouwd voor.’

Wittgenstein

Hij stort zich in het Weense leven, slaapt in pensions bij vreemde gastheren, introduceert zich half per ongeluk als Haffner, leest de dagboeken van Wittgenstein, volgt een cursus Duits en krijgt kennis aan vreemde figuren. Onder hen een altijd mompelende man die regelmatig in koffiehuizen opduikt en een Japans-Pools echtpaar waarvan vooral de Poolse vrouw hem kan bekoren. Om Wenen te veroveren moet hij haar veroveren, haalt Hoogcarspel zich in het hoofd, wat later transformeert tot het tegendeel: om zich van Wenen te bevrijden moet hij zich van háár bevrijden.

Zo dwaalt hij in verschillende betekenissen door de stad, waarbij Niematz het vervreemdende effect nog vergroot door alle dialogen van zijn hoofdpersoon in waarachtig steenkolenduits op te schrijven. Zo zegt een van Hoogcarspels pensiongenoten. ‘Er beisst nicht, Frau Hartmann. Mein Kaiman ist gutartig.’ Deze niet-bijtende alligator zit overigens verstopt in een koffer met papieren.

Inderdaad, tegen het einde van In de schaduw van toekomstige rampen zijn alle normale personages uit beeld verdwenen. Alle bewoners van Wenen lijken rijp voor de divan. Ook is dan niet meer duidelijk of wat we lezen zich alleen in het hoofd van de hoofdpersoon afspeelt, of ook daarbuiten.

Het gaat dan ook niet om de plot in In de schaduw van toekomstige rampen. De spanning wordt vooral opgewekt door de bizarre details, zoals de manier waarop Hoogcarspel wil achterhalen of een tussendeur naar zijn pensionkamer in zijn afwezigheid wordt gebruikt. Hij wil de deur verzegelen met een haar, maar hoe die haar te bevestigen? Hij verzint een oplossing van Mr. Bean-achtige allure: ‘Wie nam er een pot lijm mee op reis. Hij niet, het werd behelpen. Hij pulkte wat uit zijn neus, vormde dat tot twee minuscule, vrijwel onzichtbare balletjes en drukte er de uiteinden van de haar mee op hun plaats.’ Het zijn de dingen die een man doet die zich wil losmaken, die zichzelf in een situatie brengt waarin het er feitelijk niet zoveel toe doet of hij gek is. Al vrij vroeg realiseert Hoogcarspel zich dat het gevaar van de stad zal zijn dat hij zich erin verliest – en dat is precies wat gebeurt.

Zo voert Niematz je steeds verder mee in het leven van een man die wegdrijft van de rest van de mensheid en die uiteindelijk ook wel in verband komt te staan met de stad – niet met de mensen, maar met het geheel. Dat wordt op de laatste pagina gesymboliseerd door een tram: ‘Ginds hoorde hij de tram al naderen, luid klingelend, hongerig bijna, onverzadigbaar hunkerend naar nieuwe bederfelijke last.’

Zo afgewend van de mensen (en die tram), staat Hoogcarspel ook ver af van alle mensen die zijn werk eventueel zouden kunnen lezen. Zijn verlangen om te schrijven is verdwenen, hij wil niet meer duiden of vastleggen. Waarbij het knappe natuurlijk is dat dit geleidelijke proces van ontschrijving, van een afscheid van de literatuur, alleen maar opgeroepen kan worden door een schrijver met een diep geloof in de kracht van de verbeelding en het vermogen om die verbeelding aan te wenden. Niet omdat het is wat zijn lezers van hem vragen, maar omdat dit is wat hij ze wil geven.

    • Arjen Fortuin