Jezus is gereïncarneerd

Annelies Verbeke Foto Leo van Velzen

De nieuwe verhalenbundel van Annelies Verbeke, Veronderstellingen, is rijk aan eindejaarssymboliek. Ik kwam een kribbe tegen, een kerstboom, drie wijzen uit het oosten, en veel goede voornemens. Al meteen in het eerste verhaal neemt Christus zelf het woord, in de gedaante van een hond. Een geval van reïncarnatie. Hij voelt zich door ‘Vader’ danig op de proef gesteld, overgeleverd aan de zorgen van een weinig attente baas en bazin. In een heuse brief roept hij God ter verantwoording. ‘Wat verwacht u dat ik doe? Wonderen verrichten? [...] Opnieuw het hoofdpersonage worden in de grootste bestseller aller tijden? Ik word amper uitgelaten!’ Voordat we medelijden met deze christenhond kunnen krijgen, is de brief en daarmee ook het verhaal alweer uit.

In het midden van de bundel plaatste Verbeke een al even sneue geschiedenis, ‘Kerst’ getiteld. Daarin brengt de 17-jarige Nicolette, glunderend van voorpret, een verrassingsbezoek aan een mevrouw in een bejaardentehuis. Ze heeft speciaal de nurkse Gusta uitgekozen, omdat ze achter haar grimmige uiterlijk veel eenzaamheid vermoedt. Een verwante ziel, zo meent zij, want zelf wil ze ook graag aanspraak.

Al gauw wordt duidelijk dat Gusta niet zo blij is met het onverwachte bezoek. Zij wil veel liever blijven kaarten met haar medebewoners, met ene Marcel vooral, maar voelt zich verplicht enige tijd stuk te slaan met de ongenode gezelschapsdame. Nicolette zelf krijgt pas door hoe het zit als Gusta, opgefokt door de opgedrongen gezelligheid, zich niet meer kan beheersen en alle kerst-accessoires het raam uit smijt. Een paar uur later heeft ze spijt, maar dan is Nicolette natuurlijk allang afgedropen – weer een illusie armer.

Handicap

Een genoeglijke kerstsfeer is in Veronderstellingen ver te zoeken. Iedereen torst wel een of andere last of handicap met zich mee. Dat bleek ook al uit eerdere boeken van Verbeke, zoals Slaap! (2003), Groener gras (2007) en Vissen redden (2009). De bejaarde dame is zo nukkig omdat haar zoon nooit meer langskomt, zelfs niet met kerst. Nicolette wordt thuis verwaarloosd door moeder en stiefvader en moet dus elders op zoek naar erkenning. De pinnige bedrijfsleidster in een ander verhaal voelt zich heimelijk schuldig omdat ze haar broer ooit in de steek liet. Omdat geen van de verhaalfiguren in staat is uitdrukking te geven aan onderliggende verlangens en problemen blijft het voor de anderen steeds gissen en veronderstellen – met alle misverstanden van dien.

De vraag is natuurlijk hoe indringend Verbeke die intermenselijke troebelen weet te presenteren. Van de eerste zes verhalen werd ik niet echt warm of koud. Ze zijn kort en schematisch, de zinnen droog en zakelijk, de manier van vertellen afgepast en het einde is steeds onbestemd en dooddoenerig.

Ergens over de helft krijgt het boek eindelijk een beetje kleur, als bepaalde verhaalelementen en -figuren terugkeren. Dan zie je nuance en verdieping in de verhalen sluipen en krijgen de karakters vanzelf meer contour. De bitse bedrijfsleidster blijkt dan toch af en toe in staat tot een aardige geste. Het 17-jarige meisje krijgt een herkansing met een vuilnisman, die zich haar zorgen graag laat welgevallen. Met de gereïncarneerde Jezus loopt het minder goed af. Hij keert terug in een ander verhaal en grijpt dan zijn kans om, heel onchristelijk, een eind te maken aan zijn ellendige hondenleven.

Kraamvrouwen

Het interessantst is een historisch verhaal over de Hongaarse arts Ignaz Semmelweis. Verbeke leidt ons in vogelvlucht door zijn veelbewogen leven. Semmelweis deed in 1847 een ontdekking. In een Weens ziekenhuis stierf in die tijd een op de vier kraamvrouwen aan koorts. Het bleek hem dat er veel minder vrouwen in het kraambed stierven als ze werden behandeld door een arts die zijn handen had gewassen (met bleekwater) – en dus niet rechtstreeks van de snijkamer naar de verloskamer liep met het ‘lijkstof’ nog aan zijn vingers.

Waarom deze ‘minuscule partikels’, later bacteriën genoemd, zo dodelijk waren, wist Semmelweis niet. Hij veronderstelde het alleen maar. Omdat hij niet kon bewijzen dat het onzichtbare goedje gevaarlijk kon zijn, werden zijn veronderstellingen weggehoond. Hijzelf werd ontslagen. Zijn hygiënische voorschriften werden pas tientallen jaren en ‘tienduizenden’ dode kraamvrouwen later officieel ingevoerd, nadat alsnog de bewijslast was geleverd, door anderen. Zelf was Semmelweis, de ‘redder der moeders’, toen allang gestorven, in een krankzinnigengesticht.