Het doffe bruin van Van Gogh

Drie kleuren chroomgeel gebruikte Vincent van Gogh. Vooral het lichte citroengeel wordt bruin. Hoe dat chemisch gaat is nu helemaal bekend.

Vincent van Gogh zelf noemde de verven chroomgeel I, II, en III, zoals verfhandelaars uit zijn tijd deden. Of ook wel: citroengeel, geel en oranjegeel. En hij wist dat de verf in de loop van de jaren zou verkleuren. Maar ja, het alternatief, cadmiumgeel, was voor hem vaak te duur. En Van Gogh had nu eenmaal geeltinten nodig als hij de oevers van de Seine schilderde, de bloemenvelden bij Arles, zonnebloemen en bijvoorbeeld het portret van zijn collega Paul Gauguin.

Vooral het citroengeel is kwetsbaar, zegt de Italiaanse scheikundige Letizia Monico aan de telefoon. Zij onderzocht de veroudering van chroomgeel voor haar promotieonderzoek aan de universiteiten van Antwerpen en Perugia. Haar werk is onderdeel van een langlopend project waaraan chemici en kunsthistorici uit België, Frankrijk, Italië en Nederland deelnemen, en ook het Van Gogh Museum in Amsterdam, het Musée d’Orsay in Parijs en het Kröller-Möller Museum in Otterlo.

Microscopische korreltjes verf die ooit tijdens onderzoek en restauratiewerkzaamheden van de doeken waren geplukt, zijn in Grenoble (bij de European Synchrotron Radiation Facility) en in Hamburg (bij versnellerinstituut DESY) met röntgenstralen ontleed. Een aantal doeken, zoals dat portret van Gauguin uit 1888, werd in de musea met infraroodstralen uit mobiele apparatuur ‘doorgelicht’ om te zien waar Van Gogh bepaalde pigmenten gebruikte.

Monico maakte bovendien de verven na, en liet ze versneld verouderen door ze aan hoge doses zichtbaar en uv-licht bloot te stellen. Nieuwe resultaten van al dat werk verschenen onlangs in het Journal of Analytical Chemistry (14 november).

Het citroengeel bevat naast chroom (in het gele loodchromaat) ook relatief veel zwavel (in het witte loodsulfaat), zo toonde de chemische analyse aan. Die combinatie leidt ertoe dat het gele pigment vaker dan in de andere gele verven een instabiele kristalstructuur aanneemt, zo lieten de röntgenstralen zien. Juist daardoor reduceert het loodchromaat onder invloed van blauw en ultraviolet licht gemakkelijker tot bruingroen chroomoxide, bleek verder. De infraroodanalyse maakte ten slotte duidelijk dat het instabiele chroomgeel op veel van de doeken voorkomt.

Is die verkleuring af te remmen? In hun artikel suggereren Monico en collega’s om niet alleen uv-licht te weren, zoals nu al in musea gebeurt, maar óók het blauwe licht. „Het dilemma is wel dat de doeken er heel anders uitzien als je ze bij rood belicht exposeert”, zegt Ella Hendriks, restaurator bij het Van Gogh Museum en bij het project betrokken. „Misschien is de oplossing ze als kwetsbare objecten aan te merken en ze, net als aquarellen, alleen aan nòg gedempter licht bloot te stellen.”

De informatie uit de studie kan óók helpen bij het maken van digitale reconstructies van de doeken zoals ze eruit zagen toen de verf nog vers en net aangebracht was. Maar zulke reconstructies vergen eerst veel meer onderzoek, waarschuwen Hendriks en Monico allebei. „Doeken zijn complex”, zeggen ze. Een langzaam drogende streek of toets olieverf blijft nooit zo bestaan als hij is aangebracht. De lagen vervloeien een beetje, de bindmiddelen en de chemicaliën in de pigmenten werken op elkaar in en dat heeft weer effect op de chemische reacties die onder invloed van licht optreden.

Hendriks: „Het schilderij Vaas met zonnebloemen uit de Arlesperiode van Van Gogh, uit 1889, had vermoedelijk meer schakeringen dan het nu heeft. De bloemkoppen ogen tegenwoordig wat vlak en bruin, maar toch heeft Van Gogh er geen instabiel chroomgeel voor gebruikt. Er is dus veel meer aan de hand, en dat begrijpen we nog lang niet allemaal.”

    • Margriet van der Heijden