God knort ook wel eens

Guus Kuijers hervertelling van Genesis is zeker niet vroom. Maar in liefde voor zijn onderwerp doet Kuijer niet onder voor een dominee.

Adam in het paradijs en Jozef in de put zijn niet meer genoeg. Ik wil nu dat Guus Kuijer zo snel mogelijk de héle bijbel gaat schrijven. Zo geweldig is zijn versie van dat eerste bijbelboek, Genesis. Hoe zou Kuijer Mozes op de berg beschrijven? De oorlogzuchtige David, de klagerige Jeremia? Jezus en zijn discipelen? De apocalyps!

Iedereen die deze basisverhalen van de westerse cultuur half vergeten is, moet Kuijers Bijbel voor ongelovigen lezen. Zo geestig, zo scherp. In Kuijers stijl zie je de directe wendingen van de ervaren kinderboekenschrijver, maar het is echt een boek voor volwassenen. Die dwangmatige grappenmakerij van de kritische zoon van Noach, de vriendelijke naïviteit van Adam, de lichte hysterie van Sara! Alleen de zwaarste protestant en de vroomste katholiek kunnen hier aanstoot aan nemen.

Wel is Genesis voor een complete hervertelling van de Bijbel het perfecte begin, met zijn rijkdom aan verhalen. De verbanning van Adam en Eva uit het paradijs, Kaïns moord op Abel, de spraakverwarring in de toren van Babel, de verwoesting van Sodom en Gomorra, de ruzie tussen Sara en Hagar, de strijd tussen Jacob en Ezau, en natuurlijk hoe Jozef door zijn broers in de put werd gegooid en toch nog onderkoning van Egypte werd. Alles komt terug bij Kuijer, maar met een twist en gevoel voor de vreemdheid van deze 2500 jaar oude materie.

Neem dat gehannes met die besnijdenis. In een paar snelle zakelijke verzen (in Gen. 17) vertelt de bijbel hoe Abraham in opdracht van drie mannen zichzelf en alle mannen in zijn huishouden besnijdt. Kuijer pakt het anders aan. Hij schetst de totale verbijstering van Sara, Abrahams vrouw, als Abraham zegt dat er ‘iets van zijn lul af’ moet: ‘Ik dacht dat ik gek werd. […] „Was dit wel God?” schreeuwde ik. ‘Er waren drie mannen, wie van de drie was het dan als ik vragen mag?’’ „Waarom zou God niet kunnen verschijnen als een drietal?’’ mompelde Abram wezenloos.’

Het knappe van Kuijers verhaal is dat hij deze besnijdenis onmiddellijk verbindt met het vreselijke bijna-offer dat nog moet volgen. Want in de ruzie vraagt Sara waar het dan ooit zal ophouden, die blinde gehoorzaamheid van haar man. Er zijn ook goden die kinderoffers vragen, gaat dat nu ook gebeuren dan? ‘„Zoiets zou mijn God niet van me vragen,” mompelde Abram terwijl hij aan het rommelen was in mijn keukengerei.’ Even goed zal later zijn zoon Isaak bijna het loodje leggen in een al even krankzinnige offerscène – ook weer prachtig verteld, vanuit Isaak zelf, die zich helemaal overgeeft aan doodsdrift. En Abraham legt uiteindelijk het mes al weg voor een stem uit de hemel heeft geklonken.

Kuijer past een klassieke truc toe: het inbrengen van een moderne stem in bekende Bijbelverhalen. Generaties predikers doen dat: wat zou jij nou hebben gedaan, als je de zoon van Noach was? Of: Jezus had dat ook! Dat hij liever niet naar de tandarts ging!

In zijn nawoord benadrukt Kuijer dat ook hij met de bijbel is grootgebracht. Dit zijn ook zijn verhalen. De kracht van Kuijer is dat hij evenveel liefde voor de verhalen heeft als dominees, maar zonder dat hij je een vrome boodschap aansmeert. Dat is misschien wel het cruciale verschil met Nico ter Lindens serie ‘Het verhaal gaat’: ook mooi, maar vromig.

De menselijkheid van Kuijers versie vormt vooral een weldadig tegenwicht tegen de absurde vergoddelijking waaronder de Genesis-verhalen al millennia zuchten. De kern van Kuijers navertelling is: mensen leven hun leven vol liefde en jaloezie en ondertussen doen God en godsdienstwaanzinnigen ontzettend raar. Niet eens zo’n héél gekke samenvatting.

Historiserend is Kuijers versie niet. We leren dus niet wat nou de oorspronkelijke betekenis is geweest van deze teksten. Maar gek genoeg staat Kuijer met zijn ‘rauwheid’ in een lange traditie. Want in een van de ‘oerteksten’ die later deel werden van Genesis klinkt die stem ook. In deze ‘oerbron’, ‘J’, ondergaat God óók altijd hevige emoties en later heeft hij dan weer spijt van zijn boosheid. En in ‘J’ heeft de verteller even weinig illusies als Kuijer over de verbeterlijkheid van de mensen.

In de andere verhaaltradities waaruit Genesis is samengesteld (‘P’ en ‘E’) gedraagt God zich waardiger en abstracter en de helden zijn er vromer. In die zin is Kuijers verhaal bijna een uitvergroting van de ‘J’-bron. Meestal doet God maar wat. Soms is het wreed en onbegrijpelijk, vaak ronduit onbeholpen.

De moderne kant is dat er bij Kuijer een vrij scherpe lijn loopt tussen de gewone mensen – die bij hem altijd de vertellers zijn – en de gedrevenen die God denken te horen. Horen ze Hem echt, of verzinnen ze maar wat? Die vraag komt steeds terug. Zoals in de scène tussen Adam en zijn zoon Abel: ‘„Lieve Abel,” hinnikte ik. „God knort wel eens een beetje in mijn hoofd, maar eigenlijk is hij nergens zonder ons. Ik zweer het je. Je hoeft niet bang te zijn.”’ God is een stem in je hoofd, meer niet.

Kuijer draait ook niet heen om gruwelijkheden – daar had Nico ter Linden nog wel eens handje van. Waarom bijvoorbeeld sprak God pas tot Kaïn nadat deze zijn broer Abel had vermoord? Die gelovige Abel is bij Kuijer onuitstaanbaar hooghartig, omdat hij lekker wél contact met God heeft, of zegt te hebben, en Kaïn niet. Abel blijft hem daarmee treiteren tot Kaïn hem uit woede de schedel in slaat.

God wil Kaïn straffen voor de moord. Maar Kaïn legt uit dat hij vernederd werd in Gods naam en dat zijn eigen offers altijd afgewezen werden. God moet lang nadenken en zegt dan: ‘Daar heb je wel een punt, je offer was goed bedoeld en ik had er beter iets aardigs over kunnen zeggen.’ Te laat!

En waarom mag Noach zijn kleinkinderen niet meenemen in de ark? Waarom bedenkt Abraham noch God dat bij de vernietiging van Sodom en Gomorra duizenden onschuldige kinderen zullen omkomen?

Er zijn ook vrolijke stukken. Het verhaal van Abraham en de farao is bijvoorbeeld ronduit slapstick. De goddelijke farao heeft een oogje op Abrahams vrouw Sara, maar hij blijkt een lief tandeloos mannetje dat ‘zijn dingetje niet meer overeind [kon] krijgen’. Abraham ontleent aan het avontuur het idee dat een god ook een menselijke vorm kan hebben. Even later verschijnt zijn eigen God precies zo aan hem, zij het dus als drie mannen.

Het paradijs is geestig door het gesteggel van Eva en Adam, liefdespaar bij uitstek. ‘„Kom, we moeten het paradijs uit.” „Daar ben ik het helemaal mee eens”, zei Eva, „want hier vervelen we ons te pletter.” „Daar gaat het niet om,” zei ik. „We worden weggestuurd omdat we slecht zijn.” „We vluchten”, zei Eva, „omdat we nieuwsgierig zijn naar de wereld.”

En de schepping – toch het beroemdste stuk van Genesis – is geweldig. God en Adam spelen in Kuijers versie een soort spiegelspel: wie bedacht de ander het eerst? God begint. Al op de eerste bladzijde voelt God allereerst de taal in zich ontstaan, met als eerste woord natuurlijk: ‘God’. ‘Het was eigenlijk een woord van niks, maar het sprak me aan.’ Als hij (eindelijk) Adam schept, blijkt die een heel andere herinnering aan de schepping te hebben. ‘En waarom kan ik u niet zien?’ vraagt Adam aan zijn schepper. ‘Omdat ik een woord ben.’ Toen wist Adam het weer: ‘toen ik wakker werd, was dat het woord dat ik het eerst bedacht: god.’ Wie schiep hier nu eigenlijk wie? God is in dit verhaal slechts een van de vele spelers.

    • Hendrik Spiering