‘Druk op Nederland: pak corruptiepraktijken aan’

Smeergeldpraktijken van Nederlandse bedrijven in het buitenland worden steeds gevaarlijker, dankzij verscherpte internationale wetgeving.

Wie is er verantwoordelijk voor de bestrijding van corruptie? Volgens Paul Arlman, voorzitter van Transparency International, is het antwoord op die vraag simpel: aandeelhouders en raden van commissarissen. „Zij moeten controleren of een bedrijf voldoende bewapend is tegen omkooppraktijken in het buitenland.”

Door de verscherpte anti-corruptiewetgeving in Amerika en Groot-Brittannië, gaan er klappen vallen in het Nederlandse bedrijfsleven, voorspelt Arlman. „Amerikaanse en Britse opsporingsambtenaren hebben daar in internationaal justitieel overleg al voor gewaarschuwd: Pak die praktijken aan. Want als jullie het niet doen, doen wij het!”

Paul Arlman weet waar hij het over heeft als het gaat om de risico’s voor het Nederlandse bedrijfsleven bij omkooppraktijken in het buitenland. Als oud-bestuurslid van de Amsterdamse beurs, oud-bewindvoerder bij de Wereldbank en oud-topambtenaar bij het ministerie van Financiën, kent hij de mores van het bedrijfsleven, in Nederland en daarbuiten.

In de Verenigde Staten en Groot-Brittannië zijn omvangrijke opsporingsapparaten in het leven geroepen om internationale omkoping op te sporen. Buitenlandse bedrijven worden daarbij niet gespaard en de boetes die worden opgelegd zijn torenhoog, waarschuwt Arlman.

Siemens liep tegen de lamp en moest een boete betalen van 800 miljoen euro in Duitsland en nog eens eenzelfde bedrag in Amerika. „Want met het ‘ne bis in idem’-principe, dat je niet twee keer veroordeeld kan worden voor hetzelfde delict, gaan de Amerikanen heel creatief om. Dat is daar een kwestie van verdelen van de stukken tussen opsporingsdiensten van verschillende landen. En de Amerikanen en Britten vervolgen. Het moederbedrijf kan keurig in Amsterdam gevestigd zijn. Maar één bankrekening in Londen of New York, kan al voldoende zijn om de eigenaar ervan te vervolgen als ze erachter komen dat er op de Filippijnen een ambtenaar is omgekocht.”

Arlman verwacht dat de ‘omerta’’ rond omkoping zal verdwijnen als de Amerikaanse en Britse opsporingsautoriteiten werkelijk jacht gaan maken op Europese bedrijven. Bedrijven zullen proberen schoon schip te maken in ruil voor een coulantere behandeling. „Als je maar actief aangeeft wat er fout is gegaan en wie er verder bij betrokken is geweest, krijg je een voorkeursbehandeling.”

De omvang van internationale omkopingspraktijken door het Nederlandse bedrijfsleven is niet bekend. Vorig jaar ondervroeg KPMG 200 bestuurders van internationaal opererende bedrijven, waaronder ook Nederlandse multinationals, over omkoping. Meer dan 70 procent van de ondervraagden gaf aan dat omkoping in sommige landen nu eenmaal onvermijdelijk was om zaken te kunnen doen. In ander onderzoek van Ernst &Young, de European Fraud Survey 2011 gaf een kwart van de Nederlandse respondenten aan dat omkoping in en vanuit Nederland voorkomt. Zeven procent had daarbij concrete aanwijzingen dat omkoping ook in hun eigen sector voorkomt. Eenderde van de ondernemers vond dat smeren en fêteren een geoorloofd middel is om opdrachten binnen te halen. En uit recent onderzoek van Nationale Recherche blijkt dat de benodigde financiële middelen om om te kopen, ruimschoots voorhanden zijn. Zwart geld circuleert moeiteloos in het internationale handelsverkeer. Osporingsautoriteiten hebben daar nauwelijks zicht op, is de conclusie van de Nationale Recherche.

„Beursgenoteerde ondernemingen, maar ook de kleinere bedrijven in de het Midden- en Kleinbedrijf moeten zich realiseren dat er achterstallig onderhoud is”, zegt Arlman. „Wie als gevolg van de Britse en Amerikaanse anti-corruptiewetgeving tegen de lamp loopt, moet aantonen dat het moederbedrijf er alles aan gedaan heeft om dergelijke praktijken te voorkomen. Alleen maar aangeven dat het om een paar rotte appels in een ver buitenland gaat, is daar onvoldoende. Het complianceprogramma van de onderneming moet op orde zijn. Anders volgen er alsnog torenhoge boetes.”

Arlman staat niet alleen in zijn overtuiging dat het Nederlandse bedrijfsleven enorme risico’s loopt. Met name kleinere, internationaal georiënteerde bedrijven in Nederland hebben geen idee wat hen boven het hoofd hangt, zegt Martijn Hin van BDO Forensic & Litigation Support. Met deze anti-corruptieregelgeving is de pakkans groot. Dat betekent niet alleen enorme financiële risico’s, maar ook reputatieschade die niet in geld is uit te drukken. Volgens Hin maakt de aangescherpte anti-corruptiewetgeving in Groot-Brittannië mogelijk om de leiding van een onderneming persoonlijk aansprakelijk te stellen als er intern onvoldoende is gedaan om corruptie te voorkomen.

Volgens Arlman zou het Openbaar Ministerie moeten overwegen om, naar Amerikaans voorbeeld een soort van clementie- of inkeerregeling in te stellen, waardoor Nederlandse bedrijven die betrokken zijn bij internationale omkoopaffaires, schoon schip kunnen maken.

Of er belangstelling is voor zo’n inkeerregeling? Volgens Arlman wel. „Het kan stormlopen. Want de risico’s zijn groot. De druk op Nederland wordt ook internationaal opgevoerd”, zegt Arlman. Er is periodiek overleg tussen justitieambtenaren uit landen die de anti-corruptieverdragen hebben ondertekend. En daar moet Nederland telkens toegeven dat er hier nog niet één onderneming voor de rechter is gebracht. In landen als Duitsland, Frankrijk en zélfs Italië is dat wel het geval.

Maar aandeelhouders en eigen toezichthouders moeten ook vragen stellen, vindt Arlman. „Als er boetes worden opgelegd, gaat dat ten koste van het dividend. Of de eigen investeringsmogelijkheden. Bestuursleden moeten die hete adem voelen. Dat ze eruit kunnen vliegen als ze te weinig hebben gedaan om corruptiepraktijken te voorkomen. Of dat ze bonussen kunnen kwijtraken omdat ze de onderneming ernstig in gevaar hebben gebracht. De cultuur van toedekken, ‘ik wist het niet en het levert geld op’, moet doorbroken worden. De afgelopen jaren hebben Amerikaanse autoriteiten zo’n 3 miljard dollar aan boetes binnengehaald. En negen van de tien grootste boetes werden opgelegd aan buitenlandse bedrijven.”

    • Jos Verlaan