Drie schaduwlevens in Frankrijk

Ze droomden van Parijs en gingen er op af: Jacqueline Kennedy, auteur Susan Sontag en activiste Angela Davis. Voor hun verdere leven werd hun verblijf daar van groot belang.

Na de Tweede Wereldoorlog brachten duizenden jonge Amerikanen veelal uit welgestelde families, een jaar in Frankrijk door. Ze werden vaak ondergebracht bij Franse gezinnen van gegoede afkomst in Parijs. In Dreaming in French vertelt Alice Kaplan, hoogleraar Franse literatuur aan de Yale University, New Haven en auteur van de zeer goed ontvangen ‘memoir’ French Lessons, (1993) hoe het drie jonge vrouwen daar verging wier faam later de wereld over zougaan: Jacqueline Bouvier, de toekomstige first lady van de VS, die in 1949-1950 in Parijs verbleef; schrijfster en essayiste Susan Sontag, die in 1957-1958 Parijs verkende en Angela Davis, de latere politieke activiste en hoogleraar die in 1963-1964 Frankrijk doorkruiste.

Alle drie droomden ze als jonge vrouwen van Frankrijk, allemaal kwamen ze in een ander soort Frankrijk terecht. En ieder zou de rest van haar leven putten uit de ervaringen van dat ene jaar. Ook aan dat laatste besteedt Kaplan, in haar boeiende en uitstekend geschreven boek, uitgebreid aandacht.

Wat de mannen er allemaal uithaalden weten we al, schrijft ze, de macho-ervaringen en seksuele uitspattingen van Norman Mailer, Saul Bellow, Arthur Miller en James Baldwin zijn dankzij hun literaire oeuvre maar al te bekend. Maar het verhaal van de vrouwen, die zich onderdompelen in een nieuwe taal, in de codes van het land van kunst, cultuur en het intellectuele leven – dat is zo goed als onbekend, omdat het geen deel is gaan uitmaken van de Amerikaanse emigrantenliteratuur.

Wederopbouw

Jacqueline Bouvier ging vijf jaar na WOII naar Frankrijk, een land volop bezig met de wederopbouw, vrouwen hadden er net het kiesrecht gekregen. Bouvier, wier grootvader auteur was van een boek waarin hij zijn familie van Franse koningen liet afstammen, huurde een kamer bij een aristocratische familie.

Bouvier raakte verslingerd aan de Franse mode, las Proust, ontmoette studenten van de École Polytechnique (onder wie Valéry Giscard d’Estaing). Eenmaal aan de zijde van John F. Kennedy was zij het die de politieke ego’s in hun milieu beoordeelde: Proust en Saint-Simon hadden van haar een expert in duiding gemaakt. ‘Ik ben de man die Jacqueline Kennedy naar Parijs begeleidde’, zei de president na hun eerste bezoek.

Dankzij haar vriendschap met cultuurminister André Malraux werd, voor het eerst in de geschiedenis, de Mona Lisa van Leonardo da Vinci in Washington tentoongesteld. Later, na haar 50ste, zou ze als uitgever bij Doubleday boeken brengen over het Parijs van na de bevrijding en over de Franse vrouw in de 17de en 18de eeuw.

Viel Jacqueline Bouvier vooral voor de esthetiek van de Franse cultuur, Susan Sontag was op zoek naar zelfkennis. Ze ondernam een seksuele ontdekkingstocht en ging op in de intellectuele kant van het Parijse bestaan. Ze was 24 toen ze naar Parijs ging om haar droom te realiseren, getrouwd en moeder van een vijfjarige zoon, die ze achterliet.

Voor haar geen Parijs’ societyleven, maar café- film- en theaterbezoek, en een onderdompeling in het oeuvre van Sartre, Robbe-Grillet en Camus. Voor Sontag geen speciale taalcursus en georganiseerde inwijding in de Franse zeden, zij maakte haar eigen Franse grammaticaboek in de vorm van lijstjes, zoals ze haar hele intellectuele vocabulaire vormgaf ‘(’Je l’aime beaucoup’ is MORE than ‘Je l’aime bien’, but LESS than ‘Je l’aime’)’.

Toen Sontag in Frankrijk leefde, zat het land middenin een heftige strijd aan de vooravond van de Algerijnse onafhankelijkheid, in Parijs hadden aanslagen plaats. Vreemd genoeg, schrijft Kaplan, is daar in Sontags dagboeken geen letter over te vinden: ‘typical of many young women her age’. Haar aandacht ging meer uit naar haar persoonlijke ontwikkeling.

Eenmaal terug werd Sontag in Amerika de grootste pleitbezorger van de Nouveau Roman en de Nouvelle Vague van het structuralisme, van filosofen als Foucault en Roland Barthes. Later werd ze algemeen beschouwd als ‘the expert on French topics’. Kaplan trekt een parallel tussen de Nouveau roman-voorman Alain Robbe-Grillet en Sontag: beiden werden in eigen land meer bewierookt naarmate hun faam in het overzeese land groeide.

Scheiden

Vier jaar nadat Sontag naar de VS was teruggekeerd en haar man bij aankomst had aangekondigd dat ze wilde scheiden, vertrok de studente Angela Davis naar Parijs. De Algerijnse onafhankelijkheid was een feit, Davis zag de Franse soldaten terugkeren, er werd gestaakt en gedemonstreerd, Frankrijk likte zijn wonden en boog zich over zijn nationale waarden. Davis, ‘op zoek naar seksuele vrijheid en intellectueel raffinement’, was getuige van ‘een migratiedrama, de hogedrukpan van rassenintolerantie en economische misère’ – een situatie waarvoor ze als zwarte vrouw uit een land waar racisme nog hoogtij vierde, gevoeliger was dan haar blanke medestudenten.

Davis verdiepte zich in de Franse filosofie, ging door naar Duitsland om er bij Adorno verder te studeren, vertrok naar Cuba en werd de intellectueel en de communistische politieke activiste die in 1970 van moord beschuldigd zou worden. Vierhonderd Franse intellectuelen – van Louis Aragon tot Nathalie Sarraute, van Juliette Gréco tot Marguerite Duras – tekenden een petitie voor haar vrijlating, duizenden Fransen gingen de straat op.

Wat hebben de drie zo verschillende vrouwen gemeen, behalve dat ze allemaal droomden van Frankrijk en publieke persoonlijkheden werden? ‘France secured them’, schrijft Kaplan.

Dat is wellicht wat overdreven, maar Kaplan toont overtuigend aan dat ze wezenlijk gevormd werden door de Franse cultuur: hun leven en werk waren doordrenkt van Proust, de denkbeelden van Sartre en de nouveau roman. Hun denken was gevormd door de veellagige geschiedenis, een vreemde taal, het Franse savoir vivre en het intellectuele debat. De rest van hun actieve leven bleven ze in dialoog met het land waarvan ze hielden, waar ze zich thuis voelden – passeuses tussen twee culturen.

Wellicht is het element dat hen het meeste bindt, de behoefte aan een ‘counterlife’, een schaduwleven waarin ze zich in gedachten konden terugtrekken en zich konden laven aan herinneringen en vriendschappen. Vooral hadden ze het inzicht verworven dat er elders een wereld was waar anders werd gedacht, waar anders tegen de zaken werd aangekeken en waar altijd een ander leven mogelijk was.