De bankrover is een held

Het lijkt alsof de boekverkopers die bij De wereld draait door maandelijks hun favoriete titel mogen presenteren bezig zijn met een experiment: ze kiezen bewust geen boeken waarvan de bestsellerstatus te voorspellen is. Vorige maand kozen ze daarom voor Havik van Marco Kamphuis, deze maand voor J.R. Moehringers historische roman De spiegelwereld van Willie Sutton. Begrijpelijke keuze, want het is een geestige, fijne en vlot geschreven roman. Moehringer schreef eerder The Tender Bar (2005), een memoir over opgroeien in een kroeg. Enige faam kreeg hij als ghostwriter van de memoires van tennisser André Agassi.

Ook deze keer is hij een soort ghostwriter. Want Willie Sutton (1901-1980) was een historische figuur, een legendarische bankrover met een deugdzaam randje, en een lezer bovendien. Dat laatste toont Moehringer door Sutton af en toe oneliners in de mond te leggen. Zo zegt hij tegen een verslaggever en een fotograaf de dag na zijn vrijlating, wanneer hij vertelt over zijn grote liefde: ‘„Wisten jullie dat Socrates heeft gezegd dat we houden van wat we ontberen? Of wat we menen te ontberen?” „Socrates?” „Hij deugde, die gozer. En mán wat had hij een pesthekel aan smerissen”.’

Ondanks dat het hier om biografische feiten van een bekende bankrover gaat, is het algemene verhaal altijd vrij onbevredigend gebleven. De kranten stonden in 1969 bol over Suttons vrijlating op kerstavond. Journalisten verdrongen zich om een glimp op te vangen van de man die op 68-jarige leeftijd de gevangenis verliet. Een bankovervaller die ooit charmant was, maar nu – in de woorden van Moehringer – ‘een koppoter is met wallen onder de ogen. Hij ziet eruit als Felix de Kat. Zelfs het dunne snorretje waar hij altijd zo trots op was, ziet eruit als de snorharen van een tekenfilmkat.’ De afspraak was dat de ongrijpbare bankrover maar één interview zou geven. De dag na zijn vrijlating mogen een verslaggever en een fotograaf samen met Sutton langs alle plekken rijden die bepalend zijn geweest in het leven van de legende. ‘Het resultaat was vreemd genoeg een nogal oppervlakkig artikel dat verscheidene fouten – of leugens – bevatte en maar weinig onthullingen’, schrijft Moehringer in zijn voorwoord.

Moehringer besloot daarom zijn personage kleurrijker te maken dan op basis van de bekende gegevens verantwoord zou zijn geweest, en dan heb je vanzelf een roman, was blijkbaar de theorie. Dat hij slaagt in die opzet is te danken aan de volkomen geloofwaardige gang van zaken. De raadselachtigheid rondom de legende Sutton (en waarom het interview zo vlak was) lost Moehringer namelijk bewust niet op. Ook blijven de verwarring over Suttons gedrag die bewuste dag van het interview, en de rol van een al dan niet bestaande geliefde ongewis. Maar dat maakt allemaal niet uit. Het kan je sowieso weinig schelen of het nu klopt wat Moehringer schrijft. Je hoopt gewoon dat gegaan zoals in De spiegelwereld staat. En dat geldt al helemaal voor het prachtige slot, zowel waar het Sutton zelf betreft als de verslaggever.

Behalve een nieuw levensverhaal geven, wil Moehringer meer: Sutton is anno 2012 namelijk een ideale figuur om de tijdgeest weer te geven: ‘In een tijd dat de banken de wereld omver gooien, is het interessant om het perspectief van de bankrover te kiezen. En bovendien nog een die het systeem altijd te slim af was geweest en die toch een air van onschuld wist te behouden. Gewonden maakte hij niet, een wapen had hij niet – en toch wist hij uit streng bewaakte gevangenissen te ontsnappen. Een held’, legde Moehringer in een interview uit.

Dat klinkt wat gemakkelijk, het zou immers een stuk moeilijker zijn geweest een geestige schelmenroman te schrijven over iemand als Bernie Madoff. Maar dat maakt de vergelijkingen tussen toen en nu er niet minder relevant op. De banken krijgen in dit boek genadeloos de schuld van elke crisis: ze namen onaanvaardbare risico’s waardoor de mensen hun huis kwijtraakten, werden zelf rijk en destabiliseerden de maatschappij – het aantal recessies dat Sutton meemaakt wordt keurig bijgehouden in deze gefictionaliseerde biografie. Moehringer laat Sutton fijntjes opmerken: ‘Maar zijn de bankiers daarvoor opgepakt? Mooi niet, die zijn alleen maar rijker geworden. Ja, de regering beloofde wel dat het niet meer zou gebeuren. Nou mooi dat het wél is gebeurd?’

Dat klinkt allemaal pijnlijk vertrouwd, maar het verhaal speelt zich toch echt af in het begin en midden van de vorige eeuw. En wanneer Sutton banken berooft ‘omdat daar het geld zit’ of een uitspraak doet als ‘elke keer dat ik een bank beroof bracht ik een stem uit’, zou dat een paar jaar geleden geklonken hebben als een absurde drogredenering en een goedkope zelfrechtvaardiging. Maar nu klinkt het eerder als de authentieke strijdkreet van een Occupyer.

    • Toef Jaeger