Amy, houd ik mijn kopje zo goed vast?

In 1939 publiceerde Amy Groskamp-ten Have haar nu spreekwoordelijke etiquetteboek Hoe hoort het eigenlijk? Waarom werd het zo’n succes?

1964 Foto’s Spaarnestad

Op 28 december is het 125 jaar geleden dat Amy Groskamp-ten Have (1887-1959) werd geboren. Met haar boek Hoe hoort het eigenlijk? werd zij de verpersoonlijking van de etiquette in Nederland. Het boek was na zijn verschijnen in 1939 direct een bestseller, en na de Tweede Wereldoorlog opnieuw. De Nederlanders – volgens velen een natie van botteriken – namen de titel op in hun spraakgebruik. Wie was Amy eigenlijk, en wat is het geheim van haar boek?

Amy Groskamp was schrijfster van beroep, met de nadruk op ‘beroep’: een vindingrijke, productieve publiciste. Haar romans en meisjesboeken zijn drakerig, maar uit haar journalistieke werk spreekt tomeloze energie. Als journaliste wist zij binnen te dringen bij het exclusieve Parijse modehuis Worth, ging ze met majoor Bosshardt van het Leger des Heils mee om kerstpakketten uit te delen en draaide ze haar hand niet om voor een artikel over paraplu’s of over het dienstbodenprobleem.

Dichter bij het terrein van de etiquette liggen de talloze bespiegelingen, van heel uitvoerig tot piepklein, die zij schreef over menselijke verhoudingen. Vaak uitgaande van een afgeluisterd gesprekje of een toevallige ontmoeting, mijmerde zij immer opgewekt over sekseverschillen, over opvoeding of morele dilemma’s. Haar ‘Zondagmorgen- overpeinzingen’ in het Algemeen Handelsblad (1932) leverden haar dankbare lezersbrieven op.

Vanaf 1930 had zij veel succes met radiopraatjes voor de Avro. Overal in het land hield zij lezingen; ze kon zeer onderhoudend spreken over thema’s als ‘Waarom zijn er zoveel on-elegante vrouwen?’. In 1934 stond ze aan de wieg van Libelle, Nederlands eerste moderne damesblad. Het langst bleef zij schrijven in Margriet (opgericht 1938), in vaste rubrieken zoals ‘Als U in hun plaats was...’, en in de Telegraaf. Daarmee ging ze door tot haar dood, op 23 november 1959.

Over haar leven is niet zoveel bekend. Een biografische schets door Reinildis van Ditzhuyzen (opgenomen in haar bewerking van Hoe hoort het eigenlijk? uit 1999, waardoor het een heel ander boek werd) is eigenlijk de enige serieuze tekst die er is. Verder zijn er kranteninterviews te vinden, vooral uit de jaren 50, de periode van haar grootste roem. Mevrouw Groskamp-ten Have toonde graag dat zij onconventionele kanten had, ja zelfs ondeugend kon zijn, en was dus een geliefd onderwerp.

Als dochter van een Amsterdamse bankier kreeg Amelie Jeanne ten Have wat je noemt een ‘beschermde opvoeding’. Zij was een leergierig, ondernemend kind, dat van haar ouders bijna niets mocht. Twaalf jaar oud verbaasde zij haar onderwijzeres met een lang opstel waarin zij de vraag naar ‘mijn liefste bezigheid’ beantwoordde met: ‘leven’.

Nadat ze de middelbare meisjesschool aan de Herengracht had doorlopen, stuurden haar ouders haar naar een Brusselse meisjeskostschool. Voor de meer praktische vrouwelijke vaardigheden volgde ze daarna cursussen aan de huishoudschool in Amsterdam. Ze was, zei ze zelf, liever naar de kunstacademie gegaan.

In 1911 trouwde ze met haar neef P.H. Vorstman, die in verzekeringen deed. Kort na haar huwelijk begon ze te publiceren in het letterkundige maandblad Nederland. Ze kreeg twee zonen en scheidde in 1932 van haar man, om binnen drie maanden in Londen te hertrouwen met de veertien jaar oudere zakenman H.A. Groskamp.

Zo werd zij Amy Groskamp-ten Have. Onder die naam bleef zij schrijven, geheel in strijd met wat zij zelf verkondigde: dat een getrouwde vrouw en moeder slechts in uiterste nood betaald werk mocht doen. Was het voor het geld, of uit geldingsdrang?

We weten het niet. Wel dat ze van elegante kleren en mooie hoeden hield, en dat ze na de dood van haar man soms in geldnood zat. Hoe dit ook zij, in haar verhalen duiken meermalen moeders op, die tot het smartelijke inzicht komen dat ze jarenlang te weinig aandacht aan hun kinderen hebben besteed.

In april 1939 overleed haar man. De weduwe onderbrak haar werk slechts kort; ze was op verzoek van de Amsterdamse uitgeverij Becht bezig met een etiquetteboek. Hoe hoort het eigenlijk? verscheen in november in een oplage van 3600, prijs: f 2,50. Het boek sloeg meteen aan en werd al gauw herdrukt, en nog eens. Het stond maanden bovenaan de bestsellerlijst van de Haagse Post, de uitgever ging actief en opvallend adverteren. Hoe hoort het eigenlijk? was het gesprek van de dag. Overal verschenen recensies, de meeste positief. Zelfs die in socialistische kranten, zoals het Zaans Volksblad, dat meende dat het voor velen prettig zou zijn dit boek te bezitten, al zouden waarschijnlijk alleen mensen die van nature tot wellevendheid geneigd waren, het kopen.

Toegankelijkheid was misschien wel de grootste kracht van Hoe hoort het eigenlijk? Het had geen poeha of pretenties: het liep gewoon, alfabetisch, van Aandienen tot Zwijgen. De schrijfster vertelde later dat zij was begonnen met het doornemen van een woordenboek, om bruikbare trefwoorden te vinden.

Het resultaat is dan ook een bonte variëteit aan adviezen, regels en wetenswaardigheden. De lezer wordt gemaand om geleende spullen snel terug te geven, maar kan ook vinden hoe hij zijn personeel moet kleden (‘De kamenier draagt een effen zwart satinet of crêpe de chine japonnetje met een fijn batist fantasieschortje...’). Er zijn menusuggesties, waarschuwingen tegen voordringen en onafzienbare lijsten met titulatuur en vreemde woorden.

Zulke lijsten, omstandige uitweidingen en onbedoeld komische passages als ‘oudere heren dragen handschoenen van bruin nappa of tamelijk donkergrijs wild leder waarvan zeer goede imitaties bestaan’ verraden de broodschrijfster: het boek moest af, en het moest vol. Maar misschien droeg die aanpak juist wel bij tot het succes ervan. Behalve pretenties ontbrak er nóg iets aan Hoe hoort het eigenlijk?: schijnheiligheid. Die ligt tenslotte altijd op de loer waar mensen anderen voorschrijven hoe zich te gedragen.

Boeken over goede manieren en omgangsvormen begonnen te verschijnen in de Renaissance, aan het begin van de zestiende eeuw. Een van de beroemdste is De hoveling, geschreven door de Italiaanse edelman Baldassare Castiglione; een ander De civilitate morum puerilium (Van de beschaving der kinderlijke zeden), een schoolboekje van de Nederlandse humanist Erasmus. Het werden allebei bestsellers, net als Hoe hoort het eigenlijk?, maar dan in heel Europa. Eeuwenlang hoorden ze thuis in iedere nette bibliotheek. Samen illustreren die twee oer-etiquetteboeken het belangrijkste dilemma van de etiquette. Moet de lezer leren om aardig en beleefd te zijn, zoals bij Erasmus de bedoeling lijkt, of moet hij leren zich met succes te bewegen in de hoogste kringen, wat de teneur is bij Castiglione?

Oude etiquetteboeken beloofden vaak dat men eruit kon leren ‘zich bemind te maken’. Maar nooit is helemaal zeker of het gaat om de braafheid, of om de regeltjes en de sociale acceptatie. De meeste auteurs doen schijnheilig alsof zij het eerste prediken, terwijl de meeste lezers op zoek zijn naar dat andere: zij willen weten wat ze bij een deftig diner met hun servet moeten doen.

En dan is er nog een dilemma. Bij het nastreven van ‘succes in de hoogste kringen’ is het vanouds zaak, niet te laten merken dat men heeft geléérd zich zo te gedragen. Castiglione introduceerde het begrip sprezzatura, wat zoiets betekent als achteloosheid. Met zijn sprezzatura wekt de edelman de indruk dat succes hem niet kan schelen. Zijn gedrag is volmaakt, maar losjes, zonder teken van inspanning.

Daarin schuilt het venijn van de etiquette. Uitsloven wordt afgestraft, wie zijn best doet is een sukkel. Het gevolg is dat een etiquetteboek zelf iets onmogelijks wordt, waarvan ieder zichzelf respecterend mens in gezelschap zegt: niets voor mij... Intussen blijft het juist door dat taboe prikkelende lectuur. Om de voorschriften te toetsen aan de eigen opvattingen, om anderen te betrappen op overtredingen – of stiekem toch om er iets bij te leren.

Wat de zaken in Nederland nog compliceert, is dat het hele idee van etiquette hier nooit erg in trek is geweest. Ook Amy Groskamp-ten Have verdedigde in de inleiding van Hoe hoort het eigenlijk? haar boek tegen de bezwaren van Hollanders, die natuurlijke eenvoud verkiezen boven ‘opzitten-en-pootjes-geven’.

Het beeld van Nederlanders met hun ‘doe maar gewoon’ is al bij Erasmus te vinden. Een personage in een van zijn boeken roept uit: ‘O botte geest! Dat moet wel een Bataaf zijn!’

Het onderwerp etiquette wordt altijd omkleed met excuses, of aangeprezen omdat er ‘in deze tijd weer behoefte aan is’ (en dat al sinds jaar en dag). Van die ongemakkelijkheid had ook Amy Groskamp-ten Have last.

Na het succes van haar boek verklaarde zij wel eens geïrriteerd dat zij tegen wil en dank mevrouw Etiquette was geworden. Vriendinnen plaagden haar (‘Amy, houd ik zo mijn kopje goed vast?’), anderen werden onzeker. Dat boek, zei ze half verontschuldigend, had ze op aandringen van de uitgever gemaakt, terwijl haar hart toch eigenlijk uitging naar andere dingen.

Maar daar zit misschien juist het geheim van Hoe hoort het eigenlijk? Dat dit boek het spreekwoordelijke Nederlandse etiquetteboek is gebleven, is vooral te danken aan de nuchterheid waarmee het is geschreven. Gewoon, omdat het nu eenmaal moest gebeuren.

    • Ileen Montijn