Weekers sluit omstreden financiering zuil niet uit

Staatssecretaris Frans Weekers (Financiën, VVD) sluit niet uit dat zijn campagne mede gefinancierd is door de omstreden projectontwikkelaar Piet van Pol. Dat blijkt uit een brief die Weekers gisteravond naar de Tweede Kamer heeft gestuurd.

Volgens Weekers is de reclamezuil met zijn campagneposter niet door ex-wethouder van Roermond Jos van Rey (VVD) privé betaald, zoals hij eerder zei, maar komt het geld „uit een ‘potje’ van de heer Van Rey dat hij had ingericht voor zijn deelname aan de gemeenteraadsverkiezingen in 2010. Naar verluidt zouden de heer Van Pol en de heer Van Hooff hieraan hebben bijgedragen.” Van Pol zou Van Rey hebben omgekocht, vermoedt het OM. Van Hooff is directeur van het bedrijf dat de reclamezuil exploiteert, waarvan Van Pol mede-eigenaar is. Volgens Weekers wist hij niet van betrokkenheid van deze twee ondernemers toen Van Rey zijn hulp aanbood. Van Rey zou gezegd hebben dat hij de campagnebijdrage „voor eigen rekening” nam.

Weekers zou zich later vandaag moeten verantwoorden in een Kamerdebat, maar of dit debat door zou gaan was aan het begin van de middag nog onduidelijk. De Tweede Kamer wilde eerder deze week opheldering over de gift en over mogelijke belangenverstrengeling. De Kamer wilde weten waarom Weekers er een voorkeur voor had om het belastingkantoor van Venlo te sluiten ten faveure van die van Roermond, de stad van Van Rey.

Weekers gaf eerder al toe met de reclamezuil fouten te hebben gemaakt. Hij doet dit nu weer in de brief: „Achteraf gezien had ik bij het telefoontje van de heer Van Rey beter moeten doorvragen en ook hadden zaken op papier gezet moeten worden. Ik doel dan in ieder geval op afspraken zodat duidelijk is wie, wat en onder welke voorwaarden bijdraagt. Dan was ik ook in de gelegenheid geweest de vragen die hierover nu worden gesteld te beantwoorden.”

Inzage in de precieze hoogte van de campagnegift geeft Weekers niet, hoewel de Kamer dit wel gevraagd heeft. Hij zegt te „betreuren” dat er veel vragen zijn gerezen. Hij geeft toe bij de beantwoording van de eerste persvragen „te lichtvaardig” te zijn geweest. Het belang van de vragen heeft hij „ten onrechte onderschat”.