We zijn steeds strenger voor zedenplegers

Zedenplegers met tbs worden steeds langer behandeld. „Mijn cliënt is nooit meer buiten geweest.”

Redacteur Justitie

Amsterdam. Een cliënt van strafpleiter Job Knoester zit in een longstay-kliniek. Tbs’ers worden daar niet meer voorbereid op terugkeer in de samenleving: de meesten zullen er sterven. Knoesters cliënt heeft tbs opgelegd gekregen omdat hij een kind heeft aangerand. Hij betastte het in diens kruis, over zijn broek heen. Knoester vindt de strafmaatregel – feitelijk levenslang – niet meer in verhouding tot het delict dat is begaan.

Dat het tbs-systeem tussen 1993 en 2008 steeds strenger is geworden voor zedendaders, blijkt uit cijfers van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) van Justitie. In 1993 werden zedenplegers gemiddeld 5,5 jaar behandeld. In 2008 was dat al 10,3 jaar. Voor moordenaars en brandstichters met tbs nam de gemiddelde behandelingsduur in diezelfde periode ook toe, maar minder sterk. Van 5,5 jaar naar 8,4.

Een mogelijke verklaring noemt het WODC dat deskundigen „terughoudender” zijn geworden in hun adviezen over verlof en vrijlating van zedenplegers. Elke twee jaar beslist de rechter of tbs wordt verlengd, op basis van adviezen van behandelaars uit de tbs-kliniek. Als een tbs’er niet meer gevaarlijk wordt geacht, mag hij terugkeren. De terughoudendheid kán voortkomen uit een betere inschatting van het recidiverisico. Maar het WODC sluit ook niet uit dat maatschappelijke onrust rond ernstige zedenzaken de behandelaars behoedzamer heeft gemaakt.

Dat laatste weet Niek Heidanus, een andere advocaat die veel tbs’ers verdedigt, wel zeker. Een cliënt van hem ging al jaren op (on)begeleid verlof toen in 2005 een andere tbs’er een 13-jarig meisje uit Eibergen ontvoerde en misbruikte tijdens proefverlof. Heidanus: „Mijn cliënt is nooit meer buiten geweest en is zelfs in een longstay-kliniek beland.”

De toegenomen behandeltermijn leidt ertoe, zegt Job Knoester, dat het eerste dat zedenverdachten tegen hem zeggen, is: „Ik wil alles, behalve tbs.” Per jaar weigert nu meer dan de helft van de verdachten medewerking aan een onderzoek in het Pieter Baan Centrum, uit angst voor tbs. Tussen 2006 en 2010 is het aantal tbs-opleggingen door de rechter gehalveerd, van 188 naar 94.

Er is veel maatschappelijke weerstand tegen daders die tbs weten te ‘ontlopen’. Staatssecretaris Teeven (Justitie en Veiligheid, VVD) zei twee jaar terug dat het niet mag „lonen” om niet mee te werken. Plannen die hij sindsdien lanceerde, stuiten op veel verzet. Zowel de Raad voor de strafrechtstoepassing als de Raad voor de Rechtspraak oordeelden negatief over zijn voorstel het medisch beroepsgeheim te doorbreken om erachter te komen of een verdachte een psychiatrische stoornis heeft. Dat is nodig om tbs te mogen opleggen.

Deze week adviseerde de Raad voor de Rechtspraak zelfs een ander wetsvoorstel van Teeven maar helemaal niet in te dienen in de huidige vorm. Dat wil levenslang toezicht op zedendelinquenten mogelijk maken, na tbs of celstraf. In 2008 werd de toezichttermijn al verlengd van drie naar negen jaar. De Raad vindt dat eerst duidelijk moet zijn of dat voldoet.

Teeven heeft overigens wel een reden om het toezicht op zedenplegers te willen verlengen. Uit hetzelfde WODC-onderzoek blijkt dat de kans op recidive juist bij zedendelinquenten na lange tijd nog toeneemt. Drie jaar na tbs-behandeling heeft 10,1 procent opnieuw een ernstig delict gepleegd. Na 18 jaar is dat 30,5 procent.

Deze cijfers vallen overigens in het niet bij de recidive onder ‘normale’ ex-gevangenen. Al drie jaar nadat ze de gevangenis hebben verlaten, heeft de helft een ernstig delict gepleegd.

    • Merel Thie