Wat ik met Afrika heb

Mensen vragen vaak aan mij: „Wat heb jij eigenlijk met Afrika?” Hoewel het mij altijd voorkomt als een nogal brede vraag, alsof iemand wil weten: „Ben jij een mensen-mens?” of „Zeg, natuur, wat vind jij daar eigenlijk van?”, doe ik toch iedere keer weer mijn best hem te beantwoorden. Dat is niet makkelijk. Heel Afrika

Mensen vragen vaak aan mij: „Wat heb jij eigenlijk met Afrika?” Hoewel het mij altijd voorkomt als een nogal brede vraag, alsof iemand wil weten: „Ben jij een mensen-mens?” of „Zeg, natuur, wat vind jij daar eigenlijk van?”, doe ik toch iedere keer weer mijn best hem te beantwoorden. Dat is niet makkelijk.

Heel Afrika is niet sexy – voor de meeste mensen is het een zapmoment

Tijdens mijn uitleg moet ik onwillekeurig steeds denken aan de groep ‘mensen die iets met Afrika hebben’, aan de vastgeroeste clichés van de Afrika-adepten. Aan de hennavrouw: een vrouw van middelbare leeftijd, gekleed in een tie & dye shirt of een lila broekpak, die zich in Kenia eindelijk weer jong en vrij voelt en eenmaal terug in Nederland haar muren vol hangt met Afrikaanse maskers en elke maand geld opzij legt om haar geliefde, de twintig jaar jongere Masai-krijger Lengai, naar Nederland over te laten komen. Aan de zendeling: de devote christen die graag naar Tanzania wil om mensen te helpen – mits ze christelijk zijn of bereid zijn zich te bekeren, natuurlijk. Aan de vrijwilligster: het jonge meisje dat zich het lot van zielige baby’s aantrekt en dat minuscule hotpants combineert met strak ingevlochten haren om zo haar verbond met de traditionele cultuur te tonen. Aan de wasta’s: white rasta’s, die hun enorme blonde dreadlocks in een rood-geel-groen sjaaltje hebben gebonden, op blote voeten door West-Afrika trekken en dingen zeggen als: „Mijn hart slaat in hetzelfde ritme als de Afrikaanse trom”, „De mensen zijn hier nog puur als de rode aarde, de zon en het gras” en „Ze hebben helemaal niks, maar toch lachen ze altijd”.

Mensen die ‘iets met Afrika hebben’, zijn niet sexy. Heel Afrika is niet sexy – voor de meeste mensen is het een zapmoment, het zal immers toch wel weer gaan over bolle buikjes, oorlog, hoe hard cheetahs kunnen rennen, aids of de exquise wijnproductie van Zuid-Afrika. Het beeld van Afrika hangt van clichés aan elkaar: het is of ellendig, of zijig, of een Côte d’Or-reclame. Het feit alleen al dat er vaak over ‘Afrika’ wordt gesproken alsof het geen enorm continent is, maar een soort land waar wat bananenbomen groeien en hier en daar een roedel giraffen rondloopt, geeft al aan dat het in ons hoofd eigenlijk nog steeds een vrij vaag gebied is.

Wat mij (in een aantal Afrikaanse landen) aantrekt, is juist dat er iets te ontdekken valt. Dingen die ik niet had verwacht: dat de Ghanese jongen waar ik mee ga dansen zich de hele avond als een nonchalante macho gedraagt, tot het moment waarop hij aanbiedt mijn haar in te vlechten. Dat er daar op school geleerd wordt dat christenen en moslims dezelfde God aanbidden. Dat iedereen tijdens het drinken uit gewoonte de kroonkurk weer op zijn nog volle fles legt, ooit bedacht om niet stiekem vergiftigd te kunnen worden. Dat er een levendige bodybuildercultuur bestaat. En dat de op een na grootste filmindustrie van Afrika zich in Ghana bevindt – met een grote voorliefde voor de meest bloederige horrorfilms.

Ik geloof dat ik dat ‘heb met Afrika’ – dat het me zo verrast. Al komt het vaak genoeg voor dat ik een grootogige kleuter zie, voel: och kon ik jou maar meenemen, en dan denk: ja hoor. De hennavrouw. Ze zit gewoon in me, te wachten op haar kans.