Verzamelaars als medestanders

Musea moeten meer privaat geld aantrekken en dat zal voor een groot deel van verzamelaars moeten komen. Tegelijk wordt gedacht aan verkoop van collectieonderdelen, de grote angst van schenkers. In de VS speelt dezelfde controverse.

Deze maand werd bekend dat het Stedelijk Museum 28 van de 200 medewerkers gaat ontslaan als gevolg van een subsidievermindering van 15 procent. Opmerkelijk is dat alleen de afdeling fondsenwerving wordt gespaard: er zal meer privaat geld gevonden moeten worden, onder meer voor de financiering van grote tentoonstellingen. Daarbij zal zeker een beroep worden gedaan op grote verzamelaars, die immers wereldwijd de gulste schenkers aan musea zijn, in kunstwerken én in geld.

In de Verenigde Staten is men daar zeer bedreven in, musea werken er nauw samen met privéverzamelaars, die hen steunen met bedragen die in Nederland zelden worden vertoond. Het Metropolitan Museum in New York, dat net als het Stedelijk steun krijgt van de stad, heeft 105 conservatoren in dienst. De voorzitters van iedere afdeling zijn samen met de directeur en de afdeling Ontwikkeling voortdurend bezig verzamelaars te benaderen voor giften. Walter Liedtke, de conservator Europese schilderkunst van het Metropolitan, begeleidt een handvol grote verzamelaars bij hun aankopen van vooral zeventiende-eeuwse Hollandse schilderkunst. Hij geeft hun ‘exchange advice’, kunsthistorisch advies, met het oog op mogelijke schenking aan het museum.

Liedtke vertelt dat verzamelaars van oude meesters vaak selfmade mensen zijn, ondernemers en financieel experts. Hij brengt dan terloops onder hun aandacht dat het museum fondsen zoekt voor een expositie op hun verzamelgebied of dat er belangrijke doeken gerestaureerd moeten worden. Giften noemt hij „een blijk van betrokkenheid”. Ze liggen voor bijvoorbeeld een openingsreceptie rond de 20.000 dollar, terwijl medefinanciering van een expositie al gauw zo’n 100.000 dollar bedraagt. Het kostbaarst is zaalvernoeming, dat begint bij 6 miljoen dollar. En natuurlijk zijn er bijdragen voor aankopen, van kleine tot miljoenen ineens.

Altruïsme is een niet te onderschatten factor, maar uiteraard speelt ook eigenbelang een rol. Nanne Dekking, de Nederlandse vicepresident van kunsthandel Wildenstein, gevestigd om de hoek van het Metropolitan, ziet dagelijks hoe grote verzamelaars bij aankopen advies krijgen van museumconservatoren. „Natuurlijk hebben collectioneurs er rechtstreeks financieel belang bij te weten of hun stukken museaal niveau hebben en of ze passen in het aankoopbeleid van toonaangevende musea.”

Dit soort informatie is doorgaans alleen verkrijgbaar doordat deze verzamelaars zitting hebben in de raad van toezicht van een museum. De lat bij schenkingen ligt hoog bij het Metropolitan: alleen als een kunstwerk zo belangrijk is dat het ten minste de helft van het jaar op zaal zal hangen, wordt een stuk geaccepteerd. Schenkers willen zelf ook dat hun gift zichtbaar is.

Kinderen

Ook in de VS zijn de banden tussen musea en verzamelaars niet probleemloos. De verzamelaar op leeftijd – ze wil anoniem blijven – die ik bezoek aan de Upper East Side, werkt veel samen met musea, onder meer met het Metropolitan waar ze vlakbij woont. Toch zal zij haar bruiklenen er niet aan schenken. Haar appartement huisvest zeventiende-eeuwse Hollandse meesters als Avercamp, Post, Ruisdael en Saftleven, naast Aziatische kunst. Zij verzamelt nog steeds: „Met deze ongeneeslijke ziekte heb je alleen spijt van wat je niet hebt gekocht.”

Terwijl het Chinese echtpaar dat haar verzorgt thee en koekjes brengt, vertelt ze dat de Metropolitan bij schenking eist dat het museum de gift mag verkopen om er een beter stuk van dezelfde kunstenaar of uit dezelfde periode voor te kopen. „Dat is voor geen enkele verzamelaar aantrekkelijk – de kunstwerken zijn onze kinderen en die moeten straks goed onder dak komen.”

Dezelfde discussie speelt nu in Nederland, waar met name de gemeente Rotterdam verkoop van museale deelcollecties niet uitsluit. De verzamelaar H.J.E. van Beuningen zei vorige week in deze krant dat hij duidelijkheid wil over zijn in 1991 aan Museum Boijmans geschonken collectie archeologie.

Mecenasbestuurders

Dekking weet dat het in New York gaat om een kleine groep van enkele honderden mecenasbestuurders: „Zij bezetten de raadszetels van zowel het Metropolitan Museum als de Metropolitan Opera – er is veel overlap, het kringetje trustees is beperkt.” Deze groep heeft een dusdanig vermogen dat men kan blijven aankopen en doneren, ondanks de recessie – zij vormen de top en die blijft intact.

Stedelijk-directeur Ann Goldstein heeft ervaring met dit geefsysteem, als voormalige conservator van het MOCA in Los Angeles dat met een jaarbudget van 14 miljoen vergelijkbaar is met het Stedelijk. Maar liefst 80 procent van dit budget ontvangt dit Amerikaanse museum van particuliere donoren. Liedtke, die beide continenten goed kent, zegt daarover: „In de VS heeft men een andere houding tegenover publieke instellingen dan in Europa. Het gemeenschapsgevoel is groter in Europa, maar Amerikanen hebben een sterk ontwikkeld gevoel van trots op hun toonaangevende openbare organisaties.” Dat komt ook door het wezenlijk andere klimaat, waarin overheden ondanks forse kortingen veelal de hoofdfinanciers van culturele instellingen blijven.

Nederland telt bovendien aanzienlijk minder rijke en vrijgevige ondernemers dan de VS. Het Stedelijk heeft – als een van de weinige Nederlandse musea – ruimtes vernoemd naar particulieren die ten minste een half miljoen euro schonken, zoals de VandenEnde zaal en het Van Zadelhoff café. Er wordt nog weinig een beroep gedaan op de aanzienlijke groep middelgrote verzamelaars waarin Nederland uniek is. Door hun aantal kunnen zij gezamenlijk net zo belangrijk worden voor de musea als de kleine groep superrijken in de VS. Co-financiering van exposities, onderzoek, publicaties en restauraties zijn voor hen aantrekkelijk en maken het museum onafhankelijker van subsidiegevers. Maar dan moet snel duidelijkheid geschapen worden over de status van geschonken privécollecties.