Verenigde Naties: einde van regime in Syrië niet in zicht

De oorlog in Syrië is in zijn tweede jaar sektarisch van aard geworden. Minderheden zijn nu ook doelwit. Dat concludeert een VN-commissie.

Rebellen zijn het afgelopen jaar ver opgerukt in Syrië. Maar het einde van de oorlog is niet in zicht, zei VN-secretaris-generaal Ban Ki-moon gisteren op een persconferentie in New York.

Zijn uitspraak werd vanochtend feitelijk onderbouwd in een nieuw rapport van de Onafhankelijke internationale commissie van onderzoek inzake Syrië die vorig jaar augustus door de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties is opgericht. In het noorden en midden van het land hebben rebellen weliswaar grote gebieden in handen. Maar het regeringsleger controleert het zuiden, waar opstandelingen slecht georganiseerd en bewapend zijn. In en rond de miljoenensteden Aleppo en Damascus is het geweld „dramatisch geëscaleerd”, maar regeringstroepen zitten in de stadscentra verankerd.

Het rapport, dat in Brussel werd gepubliceerd, bestrijkt de periode 28 september tot 16 december, en is gebaseerd op gesprekken van de commissie met 100 strijders en burgers. De commissie, waarvan onder anderen ex-internationaal aanklager Carla del Ponte deel uitmaakt, signaleert naast onverminderde mensenrechtenschendingen, als trends toename van het aantal gewapende groepen aan beide zijden, en met name groeiende sektarische tegenstellingen.

Het regime-Assad heeft zich steeds ingespannen de etnische en religieuze minderheden – alawieten, christenen, druzen, Koerden, samen zo’n 30 procent van de 26 miljoen inwoners – aan zijn zijde te houden met waarschuwingen dat de sunnitische meerderheid hen zal afslachten. De oppositie heeft dat gevaar altijd ontkend en gezegd dat zij er ook voor alle minderheden is. Maar volgens de commissie is het conflict in zijn tweede jaar wel degelijk „openlijk sektarisch van aard geworden”.

Christenen, druzen, Palestijnen, Koerden en Turkmenen zijn in het conflict gezogen. Christenen en druzen zoeken toenemend bescherming aan de zijde van de regering, „met als consequentie dat ze worden aangevallen door rebellengroepen”. Turkmenen op hun beurt, die zich beklagen over hun jarenlange marginalisering, hebben zich verbonden met de rebellen. Maar, zo bevestigt de commissie eerdere aanwijzingen van het strijdtoneel, de tegenstellingen zijn het scherpst tussen de sunnieten, die de overgrote meerderheid van de rebellen uitmaken, en de alawieten, leden van de shi’itische sekte die de basis vormt van het regime.

Er zijn „geloofwaardige berichten” dat opstandelingen alawieten en andere minderheden die aan de zijde van het regime staan, aanvallen. Aan de andere kant belagen regeringstroepen en milities aan de zijde van het regime sunnitische burgers.

De toenemend sektarische aard van de strijd vormt een van de motivaties voor buitenlanders om te komen vechten. Sunnieten uit andere Arabische landen melden zich bij de rebellen. De Libanese shi’itische organisatie Hezbollah levert het regime steun. De commissie onderzoekt berichten dat Iraakse shi’ieten eveneens naast het regime vechten.

Het gevaar is „evident”, schrijft de commissie. „Hele gemeenschappen lopen het risico uit het land te worden verdreven of binnen het land te worden gedood.” Daarom onderstreept zij de dringende noodzaak van een politieke oplossing. Ban Ki-moon echter zag gisteren evenmin enig zicht op een politieke dialoog tussen regering en oppositie.