Uit de lucht

Het is vast al vaker gezegd, maar ik voel toch de behoefte om het even te benoemen: wat wordt er toch veel benoemd tegenwoordig. Of tegenwoordig; ik denk al mijn hele leven, want vanaf de jaren zeventig zijn er praatgroepen en therapeuten en coaches en trainers. Ik schat dat het vanaf de jaren negentig daarbij populair is geworden om de activiteit van het benoemen zelf ook weer te benoemen. Een welbedoelende jongerenwerker die zegt: „Nou Jeffrey, jij hebt Alex geslagen, en nu wil ik graag dat jij probeert te benoemen waarom.”

Mensen die uit zichzelf hun gevoelsleven onder woorden proberen te brengen, worden ook vaak aangemoedigd: „Goed zo, benoem het maar.” En iedereen die heeft geleerd om voor zichzelf op te komen uit met enige regelmaat deze zin: „Ja, het is waarschijnlijk heel persoonlijk, maar ik dacht, ik benoem het tóch even.”

Het idee is dat het benoemen van het probleem het probleem al minder erg maakt. Dat is vaak ook wel zo. Maar lang niet altijd.

Zelf heb ik in toenemende mate moeite met de term ‘uit de lucht’. Er wordt van alles benoemd, en vaak is dat een beschuldiging aan jouw adres. Als de benoemer alles benoemd heeft, zegt hij (of meestal zij): „Zo, nou, dát is uit de lucht.” Bedoeld wordt: uit haar lucht. Door een probleem te benoemen kun je het uit je eigen luchtruim verdrijven richting andermans lucht.

Niet zelden komt het voor dat iets ‘uit de lucht’ is verklaard, waarop het pas echt een ongemakkelijke situatie wordt. Niet alleen is er iets, dat ‘iets’ moet nu ontkend worden, want het was al benoemd en daarmee uit de lucht.

Natuurlijk kun je ook dat fenomeen weer gaan benoemen („Ik heb toch het gevoel dat we nog niet alles uitgesproken hebben”), maar dan zit je, voor je het weet, in een vicieuze cirkel. Soms denk ik dat we er al lang in zitten. Wij benoemen het benoemen van het benoemen van het benoemen, en de hele lucht zit vol.

Kortom: het is tijd voor een lekkere apocalyps.

    • Paulien Cornelisse