Steun concertzalen voorbij de dood

Met hun genootschap voor erflaters pioniert het Concertgebouw opnieuw. Tegelijk: in de cultuurwereld is nalaten zo oud als de kunst zelf.

Kamerlid Tamara Venrooy (VVD) gaf de culturele wereld deze week tijdens een Kamerdebat een lichtend voorbeeld: het Concertgebouw in Amsterdam. Vooral de 8,7 miljoen euro die de concertzaal ophaalde met de uitgifte van nieuwe aandelen getuigde volgens Venrooy van „het cultureel ondernemerschap waarin de VVD gelooft”.

Inmiddels heeft het Concertgebouw een nieuw initiatief gelanceerd, La Suite. Lidmaatschap van het gezelschap is voor liefhebbers die verklaren na hun overlijden geld te doneren. Daarmee krijgen ze een behandeling als donateur, al geven ze nu nog niets.

Opnieuw pioniert het Concertgebouw hiermee, tenminste in Nederland. In Amerika is het vrij gewoon. Zo heeft de New York Public Library de zogenoemde ‘Bigelow Society’, met bijna duizend leden. Ze hebben de bibliotheek opgenomen in hun testament.

De directeur van het Concertgebouw Fonds Jolien Schuerveld zegt dat La Suite niet zozeer voor het geld is bedoeld, als wel om „een ander soort van betrokkenheid” te creëren. Ze heeft ook geen verwachtingen gesteld van het aantal legaten dat ermee binnenkomen. „Het mooie is: je hoeft niet rijk te zijn voor deze vorm van betrokkenheid.”

In de culturele wereld is positief gereageerd op het initiatief. „Geweldig hè?” zegt Louwrens Langevoort, de intendant van de Philharmonie in Keulen. Zijn organisatie krijgt nooit een nalatenschap. Hij is onlangs wel aan het denken gezet toen een Britse haar hele vermogen naliet om te gebruiken bij de restauratie van de in de Tweede Wereldoorlog ernstig beschadigde Dom van Keulen.

Toch zijn erflaters natuurlijk allesbehalve nieuw voor culturele instellingen. Musea zijn ermee gesticht en erop gebouwd. Een toenemend aantal mensen maakt gebruik van de regeling waarmee particulieren fiscaal aantrekkelijk kunnen nalaten. Geld en giften in natura; denk aan kunstwerken.

Concertzalen als het Concertgebouw krijgen daarentegen zelden testamentair opgestelde giften. De Philharmonie in Berlijn zelfs nooit. Net zo min als het Konzerthaus in Berlijn. Bij die in Wenen bestaat zo’n zeven procent van de inkomsten uit particuliere giften, maar de testamentaire schenkingen zijn „verwaarloosbaar”, aldus een woordvoerder.

Voor orkesten ligt het anders. Een rondgang leert dat erflaters hen wel weten te vinden. Voor de belangrijkste bespeler van het Concertgebouw, het Koninklijk Concertgebouworkest (KCO), vormden ze de laatste jaren zelfs „een wezenlijke bijdrage”. Dat zegt Wouter Steijn, directeur van de Stichting Donateurs van het KCO. Vorig jaar was een uitschieter naar boven: meer dan een half miljoen euro. Ook dit jaar gaat het goed.

Het verschil tussen bespelers en concertzalen bestaat nagenoeg overal in Europa. Neem de Tonhalle in Zürich. Het gebouw wordt beheerd door een stichting die geen geld van particulieren krijgt, levend of dood. Maar de belangrijkste bespeler, het Tonhalle Orchester Zürich, kreeg vorig jaar twee keer een legaat, beide ter waarde van 83.000 euro.

Een doel van La Suite, zo legt Schuerveld uit, is het bereiken van liefhebbers die de organisatie nog niet kent. Andrea Müller, verantwoordelijk voor de fondsenwerving bij het orkest in Zürich, gelooft niet dat een speciaal gezelschap daarvoor kan zorgen. Müller: „De doelgroep bestaat uit dezelfde ouderen.” Schuerveld laat andere feiten zien. Ze wijst op de Encore Society van The Metropolitan Opera in New York. Encore diende als voorbeeld voor La Suite. „De helft van de leden waren bij de organisatie eerder niet bekend, die waren vriend noch donateur.”