SCP: etnische groepen mijden elkaar in Nederland

Steeds meer allochtonen spreken Nederlands, maar dat leidt niet tot meer contact met autochtonen. Het contact tussen autochtone en allochtone Nederlanders is de afgelopen vijftien jaar gelijk gebleven. Dat blijkt uit vandaag verschenen onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau.

rinses Maxima bracht eerder een bezoek aan Stichting Piezo, die wil de participatie, integratie en emancipatie in Zoetermeer vergroten. Landelijk zit hier weinig schot in, zo blijkt uit het nieuwe rapport. Foto ANP

Steeds meer allochtonen spreken Nederlands, maar dat leidt niet tot meer vriendschappelijk contact tussen niet-westerse migranten en autochtonen. Dat blijkt uit vandaag verschenen onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau.

Het grootste deel van de autochtone Nederlanders (56 procent) heeft (vrijwel) nooit vriendschappelijke contacten met migranten. Dat komt vooral omdat migranten vaak nogal geconcentreerd wonen, vooral in de grote steden, in bepaalde wijken. Bovendien is de groep autochtonen veel groter. Autochtonen zijn daarnaast terughoudend om interetnische contacten aan te gaan.

Turkse Nederlanders hebben het vaakst meer contact met andere Turkse Nederlanders (67 procent) dan met autochtonen. Bij Marokkaanse Nederlanders heeft 57 procent vooral contact binnen de eigen groep. Surinamers en Antillianen hebben vaker contact met zowel de herkomstgroep als autochtonen. Bij Surinamers heeft 34 procent vooral contact binnen de eigen groep. Bij Antillianen is dat 30 procent. Turkse en Marokkaanse jongeren hebben meestal zowel met jongeren van dezelfde afkomst contact als met autochtone jongeren.

meer mensen voelen zich gediscrimineerd

Turkse, Marokkaanse, Surinaamse en Antilliaanse Nederlanders vinden in meerderheid dat het klimaat ten aanzien van migranten in de afgelopen tien jaar is verslechterd. Het aantal allochtonen dat het gevoel heeft gediscrimineerd te worden is, op de Turkse gemeenschap na, toegenomen. Ook zijn veel van hen minder positief dan een paar jaar geleden over de kansen die allochtonen in Nederland worden geboden.

De acceptatie van homoseksuelen is nog steeds een heikel punt, ook bij hoogopgeleide allochtonen en de tweede generatie. Driekwart van de Turken en Marokkanen zou het een probleem vinden als hun kind homoseksueel zou zijn. Bij Surinamers en Antillianen is dit 33 procent en bij autochtone Nederlanders zeventien procent. Er is weinig verschil in opvatting tussen ouderen en jongeren.

De grootste meningsverschillen tussen autochtonen en allochtonen zijn er op het gebied van euthanasie en abortus. Waar de steun voor abortus onder autochtonen op 74 procent ligt is dit bij Turken 35 procent en bij Marokkanen slechts 24 procent. Surinamers (64 procent) en Antillianen (61 procent) hebben minder problemen met abortus.

Op het gebied van euthanasie komen vergelijkbare percentages naar voren. Veertig procent van de Turkse en 22 procent van de Marokkaanse Nederlanders vindt dat euthanasie legaal moet zijn. Bij Antillianen en Surinamers ligt dit percentage op ongeveer 75 procent. De steun voor euthanasie is het hoogst (85 procent) onder autochtone Nederlanders.

Etnische concentratie beïnvloedt culturele verschillen

Andere ontwikkelingen hebben volgens het SCP bijgedragen aan de sociale en culturele verschillen en daarmee de afstand tussen allochtonen en autochtonen. Daarbij moet gedacht worden aan een toename van de etnische concentratie en segregatie en de toegenomen werkloosheid.

Ondanks het feit dat contact tussen allochtonen en autochtonen is gestagneerd geeft een meerderheid van alle migranten Nederland gemiddeld een voldoende. Drie kwart van de Surinamers en Antilianen voelt zich thuis in Nederland. Bij Turken en Marokkanen geldt dit voor ruim zestig procent.

    • Annemarie Coevert