Hoe Mario Monti Italië veranderde

Mario Monti stapt op en maakt een dezer dagen bekend of hij opnieuw premier van Italië wil worden. Hervorming van de arbeidsmarkt is zijn grootste prestatie. De ongelijkheid tussen de precari en de posto fisso is afgenomen.

De vrouw werkte al een paar jaar voor hem, toen Paolo Spada besloot haar te belonen. De Italiaanse ondernemer zette het tijdelijke dienstverband van de medewerkster om in een contract voor onbetaalde tijd. „Ze was dolblij, maar voor mij pakte het slecht uit. De dag nadat ze getekend had, ging ze naar het ziekenhuis voor een knieoperatie”, vertelt Spada in zijn kleine kartonfabriek in Milaan. „Ik was haar twee maanden kwijt. Ze verklaarde dat ze eerder de operatie niet aandurfde uit angst haar baan te verliezen.”

De werkneemster werkt nog steeds naar genoegen voor hem. Het voorval, meent Spada, zegt meer over de Italiaanse arbeidsmarkt dan over de vrouw. Er bestaat grote ongelijkheid tussen de precari (tijdelijke krachten met amper rechten) en werknemers met een posto fisso (een vaste baan met bijna absolute ontslagbescherming). Het doet de arbeidsmarkt zeker in crisistijd vastlopen. In oktober bedroeg de Italiaanse werkloosheid 11 procent en die voor jongeren (tot 25 jaar) 36 procent.

Het aanpakken van het starre arbeidsrecht was een van de prioriteiten van Mario Monti toen hij eind 2011 aantrad. De markten hadden Italië de weken daarvoor richting afgrond geduwd. Monti, oud-eurocommissaris, kreeg de taak het vertrouwen te herstellen. Van alle hervormingen die zijn technocratenregering trof, vormde de arbeidswet de voornaamste.

Vooral vanwege de hoge symbolische waarde. „Deze hervorming is niet compleet, maar wel relevant. Ze pakte een thema aan dat links noch rechts de afgelopen jaren wist te veranderen”, vertelt Pietro Ichino. De arbeidsrechtspecialist en senator voor de centrum-linkse PD is een van de invloedrijkste stemmen in Italië over dit thema. „Decennialang werd het in Italië als een onmogelijke missie beschouwd het ontslagregime te versoepelen. Maar deze regering is het gelukt, al ging het gepaard met grote politieke uitdagingen.”

Het felste debat werd gevoerd over Artikel 18 van het arbeidersstatuut. Dit geeft een ontslagen werknemer het recht bij de rechter af te dwingen dat zijn baas hem weer in dienst moest nemen. In de praktijk bracht dit voor bedrijven hoge kosten en juridische onzekerheid met zich mee. Het maakte ondernemers huiverig mensen in vaste dienst te nemen. Gevolg: het leger vooral jonge precari groeide gestaag.

Door de versoepeling van Artikel 18 is ontslaan nu minder kostbaar en gecompliceerd. Dit moet in theorie de kansen van werknemers op een vaste aanstelling vergroten. Toch zijn ook veel Italiaanse jongeren, die het sterkst kunnen profiteren, niet enthousiast. Ze willen wel meer zekerheid, maar niet ten koste van hun ouders. Zoals in heel Mediterraan Europa is financiële steun van familie voor jongeren immers onmisbaar in de langgerekte, informele stagefase die het begin van hun carrière is. Tot ver na hun 30ste moeten ze genoegen nemen met hachelijke baantjes. Tot ze een vaste baan hebben, leunen ze op pa en ma.

Sommigen werken zelfs onbetaald, legt Cristina Simone uit. De 30-jarige marketeer beheert de website nofreejobs.it, waarop ze aanklaagt dat bedrijven jongeren aanbieden onbetaald voor hen te mogen werken, ‘want dat staat goed op je cv’. „Als mensen net van school of universiteit komen, accepteren ze dit soort baantjes. Ik kan het wel begrijpen, maar ze verpesten de markt. En flexibiliteit krijgt een nog slechtere naam.”

Volgens arbeidsrechtadvocaat Tommasso Dilonardo moet de politiek de impasse doorbreken. „Jonge mensen worden onder de vleugels van hun ouders gedwongen. Dit voorkomt dat generaties met elkaar de confrontatie aangaan. En politici denken dat ze niet voor jongeren hoeven op te komen”, zegt hij. „Jonge mensen hebben in dit land geen politieke macht.”

„We hebben een cultuuromslag nodig”, oordeelt ook specialist Ichino. Italianen moeten beseffen dat ze alleen internationaal kunnen concurreren met een ‘noordelijker’ systeem, waarin de verzorgingsstaat en een goed functionerende arbeidsmarkt veiligheid bieden. „Dit is niet makkelijk, maar er is geen alternatief.”

Welke nieuwe regering begin 2013 ook aantreedt, helder is dat deze veel zendingswerk te verrichten heeft om zo’n omslag te forceren. Economen en politici kunnen zeggen dat hervormen nodig is voor groei. Maar zolang herstel uitblijft, houden burgers juist steviger vast aan verworven rechten.

Daarbij vertrouwen Italianen niet alleen op hun familie, maar ook op de Staat. Zo stelt de 22-jarige filosofiestudente Mara dat de overheid haar generatie zou moeten helpen. „Nu bedrijven geen banen meer hebben, moet de overheid die creëren. Waarvoor worden we anders opgeleid”, vraagt ze. „Om met die kennis in Berlijn of Londen te gaan werken?”

Fabrieksdirecteur Spada bepleit ook overheidsingrijpen. „Dit is een familiebedrijf, mijn mensen werken al decennia voor ons. Ik weet wat voor hypotheek ze hebben, hoeveel kinderen op de universiteit zitten. Ik wil hen helemaal niet ontslaan, ik wil vooral mensen makkelijker kunnen inhuren.”

Maar daarvoor, zegt hij, moeten banken weer geld gaan verstrekken. Het aantreden van Monti en zijn hervormingen deden de paniek rond Italië luwen. De financieringskosten van banken zijn gedaald, wat het mogelijk zou moeten maken weer geld uit te lenen. Maar ondernemers en burgers klagen dat bedrijfskredieten en hypotheken onbereikbaar blijven. „Ik krijg geen cent bij de bank. De overheid zou het mkb kredieten moeten geven.”

Een ander hardnekkig probleem dat veel Italianen aankaarten, is het gebrek aan meritocratie. Hard of goed werken, loont niet. In het bedrijfsleven noch bij de overheid. Niet alleen doordat sommige mensen met een posto fisso hun baan denken te ‘bezitten’ en zo hun motivatie verliezen. Maar ook doordat leidinggevenden deze posten gunnen aan vrienden en familie. Wie niet over een kruiwagen beschikt, blijft aan de kant staan.

Francesca Vitali bijvoorbeeld is een 43-jarige lerares die sinds vier jaar als invalkracht werkt op een openbare basisschool. In de praktijk doet ze hetzelfde als vaste leraren, maar zij wordt elk jaar ze in juni ontslagen. In de zomermaanden krijgt ze dan een uitkering. Waarna ze begin september te horen krijgt of ze weer welkom is. „Mijn leerlingen begrijpen dat nooit. Die zeggen: juf, wij willen dat je er volgend jaar ook gewoon weer bent.”

Ze zou graag een vaste aanstelling krijgen en kan binnenkort het hiervoor benodigde staatsexamen afleggen. Maar ze heeft daarbij grote concurrentie. In heel Italië zijn er voor 11.500 plaatsen ruim 130.000 gegadigden. Een kans van 1 op 27. „Ik doe het bijna tegen beter weten. Het is een loterij”, legt Vitali uit in haar appartement in een voorstadje van Milaan. „Maar ik wil ook niet tot mijn pensioen in deze onzekere situatie blijven zitten.”

In een perfecte wereld, meent ze, zou haar directeur bepalen wie een vaste aanstelling verdient. „Maar dan heb je ook een goede onderwijsinspectie nodig. Anders bestaat het risico dat hij de post geeft aan degene die het meeste geld biedt.”

Arbeidsrechtspecialist Ichino onderkent dat Italië na dertien maanden Monti nog veel uitdagingen voor zich heeft. „Ook jongeren hebben een te nauwe blik op de realiteit. En we moeten leidinggevenden in de publieke sector meer bevoegdheid geven om zelf kwaliteit te belonen, en hen hier op afrekenen. En iedereen moet beseffen dat het niet de overheid is die goede banen gaat creëren.”

Wil Italië weer gaan groeien, dan moet het zich voor buitenlandse investeerders aantrekkelijk maken. „We hebben nog veel te leren over het productiemodel dat in de 21ste eeuw nodig is. Dat grotere flexibiliteit leidt tot groei en zo uiteindelijk meer kans op economische zekerheid biedt.”

Ichino gebruikt graag de uit Scandinavië afkomstige term flexicurity. Dit houdt in dat werknemers meer flexibiliteit moeten accepteren, maar ze tegelijkertijd kunnen rekenen op een stevig vangnet van de Staat als ze werkloos raken. En dan actief begeleid worden naar nieuw werk. Een voorstel is om een contract in te voeren, dat niet voor onbepaalde tijd is, maar wel een oplopende ontslagvergoeding kent.

In Monti’s eerste wetsvoorstel lag meer nadruk op flexicurity. Maar dit is afgezwakte onder druk van de vakbeweging. Die ging nog liever akkoord met afbraak van verworven rechten. Het duidt op een enigszins cynisch instelling, meent Ichino. „De bonden willen deze benadering geen kans geven. Daarin zijn ze heel conservatief. Ze vrezen blijkbaar dat mensen de voordelen van in zouden gaan zien.”

De bonden zijn een bedrijfstak op zich, waarin duizenden werk hebben, bijvoorbeeld door hun rol bij cao-overleg. „Het is een industrie die zichzelf verdedigt. Ze willen geen arbeidsmarkt waarin minder vraag is naar hun bemiddeling.”