Hebben ze gelijk? Ja en nee

Rechters anno 2012 leven in een complexe wereld. Zaken zijn ingewikkeld, het publiek is kritisch. Zou dat kunnen verklaren waarom ze klagen?

amsterdam. Wie een snelle blik op de cijfers werpt, denkt: die werkdruk van strafrechters valt wel mee. In 2011 deden rechters 102.000 misdrijfzaken af, 23 procent minder dan in 2005, aldus het rapport Criminaliteit en Rechtshandhaving 2011 van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). En het aantal rechters in Nederland steeg, van 1.850 in 2002 tot 2.490 nu. Bovendien mag het Openbaar Ministerie tegenwoordig ook zelf zaken afhandelen, zonder het op een proces te laten aankomen. De werkdruk voor rechters lijkt dus eerder minder te zijn geworden.

Maar die conclusie is te kort door de bocht, zegt Philip Langbroek, hoogleraar rechtspleging en rechterlijke organisatie aan de Universiteit Utrecht. „De rechtspraak wordt steeds ingewikkelder.” Globalisering, technologische vooruitgang – ook voor rechters is de wereld waarvan ze verstand worden geacht te hebben alleen maar complexer geworden. Ze hebben te maken met zaken als Europees recht, forensische wetenschap en patentzaken, waarin bedrijven elkaar de tent uit vechten over de afrondingen van smartphones. Zaken die niet eenvoudig in tabellen te vangen zijn, maar die de werkdruk volgens Langbroek wel vergroten: een rechter anno 2012 moet meer dan voorheen op cursus en kennis bijspijkeren. En omdat het OM de meer eenvoudige zaken afhandelt, blijven de zware zaken, waaronder de ‘megazaken’, over voor de rechters.

Toch is Langbroek kritisch over het pamflet van de rechters. De werkdruk is misschien hoog, maar niet te hoog. De door de rechters uitgesproken vrees dat de kwaliteit van vonnissen in het geding is, deelt hij niet. „Ondanks de bezuinigingen en de toegenomen complexiteit van zaken doet de rechtspraak het goed. Het gaat misschien niet allemaal fantastisch, maar rechters doen nog steeds wat ze moeten doen. En dat bedoel ik als compliment.”

Maar op het gebied van organisatie en de verdeling van taken valt volgens de hoogleraar veel winst te behalen: eenvoudige zaken zouden bijvoorbeeld minder snel voor de rechter moeten komen, maar kunnen worden afgehandeld door lagere gerechtsambtenaren. „Het recht moet sneller: waarom zou je een jaar moeten wachten op een uitspraak? Als samenleving willen we dat niet. En sneller hoeft niet ten koste te gaan van de kwaliteit van de rechtspraak.”

De zogenoemde ‘doorlooptijd’ (hoe lang de rechtbank met een zaak bezig is) bij de meervoudige kamer, die zich doorgaans over zwaardere zaken buigt, neemt al jaren toe: volgens het CBS van 225 dagen in 1995 tot 304 dagen in 2011, een stijging van 35 procent. Dato Steenhuis, tot enkele jaren geleden procureur-generaal, vindt het „dan ook niet verwonderlijk dat de regering zich zorgen maakt over dit belangrijke kwaliteitsaspect van de rechtspraak”, schrijft hij op zijn weblog ivorentoga.nl.

Steenhuis constateert ook dat „de uitgaven voor de berechting binnen het totaal van de veiligheidzorg” sinds 2005 met meer dan 40 procent zijn toegenomen. Ook dat kan volgens hem dus geen verklaring zijn voor de bewering dat de werkdruk is toegenomen. „Blijven we dus zitten met een strafrechter die steeds langer doet over (veel) minder zaken tegen steeds hogere kosten”, concludeert hij. „Inderdaad tijd voor grondig onderzoek naar de vraag hoe dat komt.”

Als het wel meevalt met die werkdruk, waarom dan dat gemopper? Hoogleraar Langbroek zoekt het antwoord deels in de veranderde status van de rechtspraak. Ooit waren rechters gezaghebbend en boven elke twijfel verheven, maar in de moderne samenleving is dat overwicht niet langer vanzelfsprekend. Van de rechtspraak wordt verwacht, ja geëist dat zij transparant is en verantwoording aflegt. Gerechtelijke dwalingen worden breed uitgemeten in de media en de maatschappelijke en politieke druk op rechters om strenger te straffen is de laatste jaren toegenomen. Langbroek: „Ik kan me voorstellen dat rechters dat vervelend vinden.”