Crisis? Overdrijf niet zo! Overdrijf niet zo!

Door zo veel te praten over de crisis die geen crisis is, praten we onszelf een echte crisis aan, vindt Arjo Klamer.

Geen gesprek gaat voorbij of het woord crisis valt wel. Politici hebben er de mond vol van, de media hebben het over niet veel anders. Het financiële systeem, de euro, de economie, het milieu, het sociale klimaat – het is allemaal in crisis.

Ondertussen hebben de sinterklaasverkopen records gebroken, de AEX-index klimt weer omhoog, Schiphol blijft druk met vakantiereizigers, en het merendeel van de Nederlanders geniet van het gebruikelijke salaris of pensioen. We zijn, op een paar procenten na, nog nooit zo rijk geweest. Hoezo crisis?

Het begrip crisis is bedoeld om aan te geven dat het onderliggend systeem fundamenteel niet meer deugt. Het gevolg is grote verwarring, en de enige uitweg is een ingrijpende verandering. We hebben in ons persoonlijk leven een crisis wanneer iets gebeurt waarop we niet gerekend hebben en waardoor alles in de war raakt. Eerst proberen we er nog mee om te gaan met oude reflexen, maar die werken niet meer. Alleen door ons leven radicaal te veranderen, kunnen we verder.

Van een dergelijke verwarring is nu weinig te merken. Nederlanders kozen voor de vertrouwde partijen en we blijven erop vertrouwen dat bestuurders weer orde op zaken zullen stellen met de bekende reflexen: een beetje meer toezicht, bezuinigingen en wat meer marktwerking.

De crisis van de jaren ’30, waarmee de huidige ‘crisis’ vaak vergeleken wordt, was heel andere koek. In de reactie op die crisis gingen economen heel anders naar de economie kijken. Jan Tinbergen bedacht de economie als een machine die bestuurd kan worden, en daar was een grote en machtige overheid voor nodig. Zo denken we nog steeds. Daar brengt het gedoe van nu geen verandering in. Fundamentele veranderingen in het denken van leidinggevenden zijn niet te bespeuren.

We kunnen het ook zo bekijken. Welk begrip gaan we gebruiken wanneer de werkloosheid van 7 naar 25 procent schiet, wanneer het bruto binnenlands product niet met 0,6 procent daalt maar met 10 procent? Oftewel, hoe gaan we praten als we in de situatie komen die nu de Grieken en Portugezen beleven? Ga ik echt beweren tegen een Portugese collega van wie het salaris de laatste twee jaar met 30 procent is verlaagd, dat ik in een crisis ben als ik een procent van mijn koopkracht heb verloren?

Nee, we zouden hoogstens kunnen spreken van ernstige problemen in de financiële sector en een recessie of een dip in de economie.

Vanwaar dan toch al dat gepraat over crisis? Tot 2008 had vooral links een monopolie op het begrip crisis. Marxisten zagen het kapitalisme steeds weer op een crisis afstevenen omdat dat een reden zou zijn voor de revolutie. Milieuactivisten zien om eenzelfde reden het milieu in een steeds grotere crisis. Maar in 2008 kwam de crisis van rechts.

Het begon in de VS, om preciezer te zijn, in het Witte Huis waar toen de regering van de rechtse president Bush huisde. Bush had veel mensen uit Wall Street binnengehaald en die deden het in hun broek. Lehman Brothers was gevallen en ze werden gek van telefoontjes van hun collega’s van Wall Street die het einde van de wereld aankondigden. Hun wereld dreigde in te storten.

Dat was een echte crisis. Althans voor hen. Grote verwarring was het gevolg. De gebruikelijke reflex was de markt zijn gang te laten gaan. Dat was hun beleid: met het evangelie van de markt waren ze het Witte Huis binnengetrokken.

Maar nu was een fundamentele verandering nodig. De overheid moest massaal ingrijpen, de financiële instellingen redden, hun hachje dus. Dat was vloeken in de kerk, maar het kon niet anders. Het eigenbelang stond voorop. En zo geschiedde.

De crisis had dus als doel om financiële instellingen en de bankiers te redden. In Nederland gebeurde iets dergelijks op het ministerie van Financiën, toen de de Nederlandse banken moesten worden gered. Ook daar een draai van 180 graden. En de bestuurders blijven bezig met het overeind houden van banken. Zo wordt naarstig gezocht naar een oplossing van de Griekse schulden omdat een Grieks faillissement een kaalslag onder banken teweegbrengt.

En door in Nederland over een crisis te blijven praten, gaan Nederlanders geloven dat ze arm zijn, dat ze zich van alles niet meer kunnen veroorloven zoals goede gezondheidszorg, goed onderwijs, stipt rijdende treinen, werkloosheidsuitkeringen, cultuur en meer van dat soort mooie dingen. En dat terwijl we met ons allen nog nooit zo rijk zijn geweest, op een paar procenten na. Hoezo crisis?

Door zo te overdrijven, en zo snel het woord crisis in de mond te nemen, praten we de Nederlandse samenleving naar een echte crisis. Wat zeggen we tegen elkaar wanneer de euro omvalt, de politiek een chaos is, en de helft van de jongeren geen baan heeft?

Nederland zit in een dip. De echte crisis moet nog komen. En dus de echte verandering ook.

Arjo Klamer is hoogleraar culturele economie aan de Erasmus Universiteit.