Je zoekt je eigen mensen op, ook in het café

Autochtoon en allochtoon mengen amper, zegt het SCP in een rapport. Dat zie je ook in het café. „Hier zitten wij, dáár zitten de Marokkanen.”

In Cafetaria Westmark aan de Schiedamseweg in Rotterdam-West komen Turken en Marokkanen...

Overal ziet hij allochtonen. Op straat. In de supermarkt. In het portiek. Maar práten met een allochtoon, dat doet Karel Petie niet. „In de flat zeggen we ‘goeiemorgen’ tegen elkaar – en daar blijft het bij.” Hij hóéft ze ook niet te spreken. „Als ze maar geen rotzooi maken.”

Gepensioneerd automonteur Karel Petie (63) zit in café ’t Schippertje, het standaard type bruin café. Veel blanker vind je ze niet in Nederland. Aan de wand hangt een sjaal van Sparta Rotterdam. Kerstlampjes voor de ramen. Het is een café om de hoek van de Schiedamseweg in Rotterdam, een van de meest multiculturele straten van de stad. Hier zitten Turkse groentezaken, Bulgaarse eettenten en Marokkaanse bakkers door elkaar. Vier op de vijf bewoners zijn allochtoon, blijkt uit cijfers van het CBS.

Maar hier zit dus ook café ’t Schippertje. Hier komt bijna nooit een allochtoon. Niet dat ze er niet mógen komen, zegt café-eigenaar Tom Pot. „Zolang ze zich gedragen zijn ze welkom.” Maar: „Wij blijven wel gewoon grappen maken over Allah. We gaan ons niet aanpassen. Als het ze niet bevalt, gaan ze maar naar het koffiehuis aan de overkant.”

Dat koffiehuis aan de overkant heet Cafetaria Westmark. Binnen drinken Turkse en Marokkaanse mannen in dikke winterjassen hun thee. Alleen: ze zitten niet bij elkaar aan tafel. „Kijk”, wijst de 28-jarige Hakan Bahadir om zich heen, „hier zitten wij.” Allemaal Turks. „En daar”, wuift hij naar de tafel achter hem, „zitten de Marokkanen.” Er wordt gekaart. Beide groepen praten in het café wel met elkaar, zegt Bahadir, maar „uiteindelijk sluit iedereen aan bij zijn eigen groep”. Autochtone Nederlanders zijn hier niet. Café-eigenaar Ali (33) zegt dat hij „twee of drie” Nederlandse klanten heeft. Aardige mensen, vindt hij.

Sinds 1994 is er niet meer contact gekomen tussen allochtone en autochtone Nederlanders, concludeert het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) in een vandaag verschenen rapport. Dat is slecht voor de samenleving, omdat het hebben van contact met andere etnische groepen volgens onderzoek de kans op een baan vergroot. Tweederde van alle autochtone Nederlanders krijgt nooit migrantenvrienden of -buren over de vloer. Andersom geldt hetzelfde: Turken en Marokkanen gaan nóg meer met hun eigen herkomstgroep om dan met autochtone Nederlanders. De „sociale en culturele afstand” blijft groot, zegt het SCP.

In Rotterdam betekent het: een allochtoon café en een autochtoon café. Waarom mengt het niet?

In ’t Schippertje zegt de 50-jarige Greet van Tiel dat ze „al achtentwintig jaar” tussen „de Turken en Kaapverdianen” woont en dat dit „zonder problemen” verloopt. „Iedereen zegt elkaar netjes gedag.” Verder komt het contact niet, en dat vindt Greet van Tiel niet erg. „Je zoekt toch een beetje je eigen mensen op.”

Kroegbaas Tom Pot heeft ook weinig contact met allochtonen. „Nederlanders in deze wijk klitten aan elkaar vast”, zegt hij. „Door het raam zien we mannen in jurken en met baarden heen en weer lopen naar de moskee. Dan denk je: hebben ze niks beters te doen?” En de allochtonen die in zijn café komen, gedragen zich volgens Pot vaak „onbeschoft”. „Ze praten in hun eigen taal, er kan geen ‘hallo’ van af. Of ze gaan luidruchtig zitten bellen. Ik hoef dat gejank aan de telefoon niet te horen.”

Volgens het SCP zijn „nogal wat autochtonen” terughoudend in het aangaan van contact met allochtonen. Dat komt vooral door hun negatieve houding, zegt SCP-onderzoeker Willem Huijnk, die meeschreef aan het rapport. Zo vindt 40 procent van de autochtone bevolking dat er te veel migranten in Nederland wonen. 80 procent vindt dat moslimvrouwen te weinig vrijheden hebben. Andersom zijn moslims kritisch over Nederlanders: bijna de helft van de Turkse migranten vindt dat Nederlandse vrouwen te véél vrijheden hebben, eenderde vindt dat Nederlandse kinderen niet goed luisteren naar hun ouders. Die oordelen leiden er volgens Huijnk toe dat „een aanzienlijk deel langs elkaar heen leeft”.

Ook in de twee cafés hebben ze zo hun gedachten over elkaar. Volgens de bezoekers in ’t Schippertje gaat het er in Cafetaria Westmark „niet netjes” aan toe.

De mensen in ’t Schippertje zijn niet gastvrij, zeggen klanten in Westmark. Toen ze daar een keer zaten werd hun om de tien minuten gevraagd of ze wat wilden drinken. „Je voelt je er niet thuis”, hoort Ali van zijn klanten.

Wat volgens Ali de belangrijkste oorzaak is waardoor er weinig contact is met elkaar: de taal. Vooral oudere allochtonen spreken niet goed Nederlands, merkt hij. „En als je de taal niet spreekt, ga je automatisch naar je landgenoten”, zegt Ali. „Zo ontstaat er nooit contact.”

    • Andreas Kouwenhoven